1. Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in
artikel 10, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet, komt slechts voor inschrijving in het register als stedenbouwkundige in aanmerking, indien zijn of haar opleiding ten minste de verwerving waarborgt van het vermogen om op verschillende schaalniveaus ruimtelijke concepten en stedenbouwkundige ontwerpen te vervaardigen die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoen.
2. De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborgen van:
a. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de stedenbouw en van de relatie met andere bij de ruimtelijke ordening betrokken disciplines;
b. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht;
c. vaardigheden en methoden in beeld, geschrift en woord om een plan en ontwerp voor anderen inzichtelijk te maken;
d. vaardigheden op de gebieden van stedenbouwkundig onderzoek, inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken en vaardigheid met de fysieke, structurele en historische analyse van stedenbouwkundige verschijnselen en oplossingen;
e. passende kennis van de ruimtelijke planning, de organisatie, de middelen en instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningniveaus in Nederland;
f. passende kennis van de inhoud van en vaardigheid met andere bij de ruimtelijke vormgeving betrokken disciplines, te weten de architectuur en tuin- en landschapsarchitectuur;
g. passende kennis van de maatschappijwetenschappen, de economie, de sociale en historische geografie en de ecologie;
h. passende kennis van de stedenbouwfysica en van het ruimtelijke ordeningsrecht en het stedenbouwkundig recht;
i. passende kennis van de inrichtingstechnologie en civiele techniek, in het bijzonder die van waterhuishouding, cultuurtechniek, bouwrijp maken, nutsvoorzieningen en openbare werken;
j. passende kennis van management van de bebouwde omgeving en inzicht in en vaardigheid met de methoden van stedenbouwkundige managementprocessen;
k. inzicht in het beroep van stedenbouwkundige en de rol van de stedenbouwkundige in de maatschappij;
l. het vermogen om in de ontwikkeling van een ruimtelijk concept voor stedenbouw de relatie tussen mensen en ruimten en de afstemming daarvan op menselijke behoeften en maatstaven te betrekken;
m. vaardigheid in het toetsen van een stedenbouwkundig ontwerp aan normen en regels van vorm, functie, technische uitvoering, grondexploitatie en milieuvoorwaarden en
n. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.