BWBR0019763
Geldig vanaf 2006-05-06
Artikel 11
Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect
1. Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet, komt slechts voor inschrijving in het register als interieurarchitect in aanmerking, indien zijn of haar opleiding ten minste de verwerving waarborgt van het vermogen tot het ontwerpen van interieurs die aan esthetische, functionele en technische eisen voldoen.
2. De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborgen van:
a. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de interieurarchitectuur, de architectuur en aanverwante kunstvormen, technologie en menswetenschappen;
b. passende kennis van de ontwerpmethodieken voor architectuur en interieurarchitectuur;
c. vaardigheid in het ontwerpen van objecten die een relatie leggen tussen mens en ruimte;
d. passende kennis van en inzicht in de eigenschappen van bouw- en afwerkingsmaterialen, producten en technieken ten behoeve van de afwerking, inrichting, meubilering en stoffering van het interieur;
e. inzicht in en vaardigheid met het betrekken van de relatie tussen mensen en ruimten in het ontwerpproces, door de vormgeving af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven;
f. passende kennis van en inzicht in bouwkundige constructies en technische installaties, alsmede de bouwfysische aspecten die daarmee samenhangen;
g. passende kennis van en inzicht in de factoren die de veiligheid, de gezondheid en het welbevinden van gebruikers van gebouwen en interieurs beschermen en bevorderen en de daarmee samenhangende wet- en regelgeving;
h. inzicht in het beroep van interieurarchitect en de rol van de interieurarchitect in de maatschappij;
i. passende kennis van de organisatorische, financiële en juridische aspecten die betrekking hebben op het ontwerp en de realisatie daarvan;
j. technische bekwaamheid als ontwerper, teneinde binnen de door begrotingsfactoren en bouw- en andere voorschriften gestelde grenzen te kunnen voldoen aan de eisen van de gebruikers van het interieur;
k. vaardigheden om een ontwerp in beeld, geschrift en woord te communiceren;
l. inzicht in en vaardigheid met methoden van zelfstandig innovatief onderzoek en voorbereiding van complexe projecten en
m. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.
2. De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborgen van:
a. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de interieurarchitectuur, de architectuur en aanverwante kunstvormen, technologie en menswetenschappen;
b. passende kennis van de ontwerpmethodieken voor architectuur en interieurarchitectuur;
c. vaardigheid in het ontwerpen van objecten die een relatie leggen tussen mens en ruimte;
d. passende kennis van en inzicht in de eigenschappen van bouw- en afwerkingsmaterialen, producten en technieken ten behoeve van de afwerking, inrichting, meubilering en stoffering van het interieur;
e. inzicht in en vaardigheid met het betrekken van de relatie tussen mensen en ruimten in het ontwerpproces, door de vormgeving af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven;
f. passende kennis van en inzicht in bouwkundige constructies en technische installaties, alsmede de bouwfysische aspecten die daarmee samenhangen;
g. passende kennis van en inzicht in de factoren die de veiligheid, de gezondheid en het welbevinden van gebruikers van gebouwen en interieurs beschermen en bevorderen en de daarmee samenhangende wet- en regelgeving;
h. inzicht in het beroep van interieurarchitect en de rol van de interieurarchitect in de maatschappij;
i. passende kennis van de organisatorische, financiële en juridische aspecten die betrekking hebben op het ontwerp en de realisatie daarvan;
j. technische bekwaamheid als ontwerper, teneinde binnen de door begrotingsfactoren en bouw- en andere voorschriften gestelde grenzen te kunnen voldoen aan de eisen van de gebruikers van het interieur;
k. vaardigheden om een ontwerp in beeld, geschrift en woord te communiceren;
l. inzicht in en vaardigheid met methoden van zelfstandig innovatief onderzoek en voorbereiding van complexe projecten en
m. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.