BWBR0019509
Geldig vanaf 2006-02-23
Artikel 9
Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie
1. De in artikel 8bedoelde opsporingsambtenaar maakt na het afwijkend gebruik van de frequentieruimte, proces-verbaal op. Het proces-verbaal vermeldt:
a. de data en de tijdstippen waarop en de locaties waar de apparatuur is gebruikt;
b. de vorm van afwijkend gebruik van de frequentieruimte die heeft plaatsgevonden en in geval van jammen, op welke wijze dit heeft plaatsgevonden;
c. de tijdens het gebruik van de apparatuur gehanteerde instellingen en vermogens; en,
d. de gegevens die door het gebruik van de apparatuur zijn verkregen.
2. De opsporingsambtenaar brengt zo spoedig mogelijk, doch niet later dan zeven dagen na afloop van de in artikel 3, tweede lid, onder b, bedoelde periode, schriftelijk verslag uit aan de Minister van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c. Het verslag wordt door de Minister opgenomen in een daartoe aan te leggen centrale registratie.
a. de data en de tijdstippen waarop en de locaties waar de apparatuur is gebruikt;
b. de vorm van afwijkend gebruik van de frequentieruimte die heeft plaatsgevonden en in geval van jammen, op welke wijze dit heeft plaatsgevonden;
c. de tijdens het gebruik van de apparatuur gehanteerde instellingen en vermogens; en,
d. de gegevens die door het gebruik van de apparatuur zijn verkregen.
2. De opsporingsambtenaar brengt zo spoedig mogelijk, doch niet later dan zeven dagen na afloop van de in artikel 3, tweede lid, onder b, bedoelde periode, schriftelijk verslag uit aan de Minister van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c. Het verslag wordt door de Minister opgenomen in een daartoe aan te leggen centrale registratie.