BWBR0019509
Geldig vanaf 2006-02-23
Artikel 3
Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie
1. Aan een afwijkend gebruik van de frequentieruimte ligt een besluit van of namens de Minister van Veiligheid en Justitie ten grondslag. Indien de bevoegdheid tot het nemen van besluiten als hier bedoeld door de Minister van Veiligheid en Justitie is gemandateerd, wordt van het mandaatbesluit alsmede van wijzigingen daarvan, een afschrift gezonden aan de Minister.
2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, omvat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam van degene die het besluit heeft genomen, de datum en tijdstip waarop het besluit is genomen;
b. de periode waarbinnen een afwijkend gebruik van de frequentieruimte mag plaatsvinden;
c. de persoon of instantie aan wie de bevoegdheid tot een afwijkend gebruik van de frequentieruimte wordt verleend;
d. welke vorm van afwijkend gebruik van de frequentieruimte er plaats mag vinden en in geval van jammen, op welke wijze dit mag plaats vinden;
e. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de geografische locaties waar de apparatuur met behulp waarvan een afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden, mag worden ingezet.
2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, omvat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam van degene die het besluit heeft genomen, de datum en tijdstip waarop het besluit is genomen;
b. de periode waarbinnen een afwijkend gebruik van de frequentieruimte mag plaatsvinden;
c. de persoon of instantie aan wie de bevoegdheid tot een afwijkend gebruik van de frequentieruimte wordt verleend;
d. welke vorm van afwijkend gebruik van de frequentieruimte er plaats mag vinden en in geval van jammen, op welke wijze dit mag plaats vinden;
e. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de geografische locaties waar de apparatuur met behulp waarvan een afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden, mag worden ingezet.