BWBR0019396
Geldig vanaf 2006-01-06
Artikel 7
Regeling algemene subsidiebepalingen Stichting Fonds PGO
1. Een instellingssubsidie bestaat uit een door de Stichting te bepalen bedrag voor de uitvoering van activiteiten overeenkomstig een door de Stichting goedgekeurd activiteitenplan en goedgekeurde begroting. De Stichting kan jaarlijks voor een bepaalde categorie activiteiten en organisaties een bedrag bekendmaken dat per activiteit of organisatie ten hoogste aan subsidie kan worden verstrekt.
2. Het in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde bedrag wordt verlaagd met het bedrag waarmee het maximaal toegestane bedrag van de in het derde lid bedoelde reservering wordt overschreden.
3. Voor zover het bedrag van de verleende instellingssubsidie, zonder toepassing van de in het tweede lid bedoelde vermindering, na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de geldende verplichtingen niet is besteed aan de doeleinden waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd. De reservering kan uitsluitend worden besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.
4. Voor de berekening van het in het derde lid bedoelde te reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de verleende instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar rato van de verleende instellingssubsidie en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende gerealiseerde subsidies van andere subsidiënten. Het te reserveren bedrag is het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.
5. Het totaal van de door een organisatie opgebouwde reservering bedraagt ten hoogste 10% van de som van:
a. de verleende instellingssubsidie, zonder toepassing van de in het tweede lid bedoelde vermindering, en
b. de in het betrokken subsidiejaar gerealiseerde inkomsten uit contributies van leden of donaties van jaarlijks betalende donateurs.
6. Subsidiabele voorzieningen als bedoeld in artikel 36blijven voor de toepassing van het derde lid buiten beschouwing. Indien de Stichting van oordeel is dat een voorziening als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekniet voor subsidie in aanmerking komt, maakt zij dat bij de subsidieverlening kenbaar.
7. Op de balans worden de in het derde lid bedoelde reservering en de voorzieningen als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekafzonderlijk opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de reservering en de voorzieningen toegelicht.
2. Het in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde bedrag wordt verlaagd met het bedrag waarmee het maximaal toegestane bedrag van de in het derde lid bedoelde reservering wordt overschreden.
3. Voor zover het bedrag van de verleende instellingssubsidie, zonder toepassing van de in het tweede lid bedoelde vermindering, na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de geldende verplichtingen niet is besteed aan de doeleinden waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd. De reservering kan uitsluitend worden besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.
4. Voor de berekening van het in het derde lid bedoelde te reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de verleende instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar rato van de verleende instellingssubsidie en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende gerealiseerde subsidies van andere subsidiënten. Het te reserveren bedrag is het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.
5. Het totaal van de door een organisatie opgebouwde reservering bedraagt ten hoogste 10% van de som van:
a. de verleende instellingssubsidie, zonder toepassing van de in het tweede lid bedoelde vermindering, en
b. de in het betrokken subsidiejaar gerealiseerde inkomsten uit contributies van leden of donaties van jaarlijks betalende donateurs.
6. Subsidiabele voorzieningen als bedoeld in artikel 36blijven voor de toepassing van het derde lid buiten beschouwing. Indien de Stichting van oordeel is dat een voorziening als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekniet voor subsidie in aanmerking komt, maakt zij dat bij de subsidieverlening kenbaar.
7. Op de balans worden de in het derde lid bedoelde reservering en de voorzieningen als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekafzonderlijk opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de reservering en de voorzieningen toegelicht.