BWBR0019396
Geldig vanaf 2006-01-06
Artikel 36
Regeling algemene subsidiebepalingen Stichting Fonds PGO
1. De subsidieontvanger kan ten laste van een verleende instellingssubsidie voorzieningen treffen.
2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen kunnen uitsluitend worden getroffen voor zover deze reeds in de bij de subsidieaanvraag overgelegde begroting waren opgenomen en daarvoor de schriftelijke goedkeuring van de Stichting is verkregen. Een voorziening is een voorzienbare kostenpost ten behoeve van een specifiek toekomstig doel dan wel een voorzienbaar verlies of risico dat de subsidieontvanger in de toekomst loopt. Voorzieningen vallen onder het vreemde vermogen en dienen altijd ten laste van de exploitatierekening te worden gebracht.
3. Het totaal van de ten laste van een instellingssubsidie getroffen voorzieningen bedraagt per jaar ten hoogste 5% van de som van verleende instellingssubsidie en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten in de vorm van gerealiseerde inkomsten uit contributies of structurele donaties.
4. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen mogen uitsluitend worden gevormd ten behoeve van activiteiten die liggen op het terrein waarvoor de instellingssubsidie is verstrekt.
5. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden binnen vijf jaar nadat zij zijn getroffen besteed aan het doel waarvoor zij zijn gevormd.
6. De herkomst, omvang, toevoegingen en onttrekkingen aan de in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden apart in de jaarrekening opgenomen.
2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen kunnen uitsluitend worden getroffen voor zover deze reeds in de bij de subsidieaanvraag overgelegde begroting waren opgenomen en daarvoor de schriftelijke goedkeuring van de Stichting is verkregen. Een voorziening is een voorzienbare kostenpost ten behoeve van een specifiek toekomstig doel dan wel een voorzienbaar verlies of risico dat de subsidieontvanger in de toekomst loopt. Voorzieningen vallen onder het vreemde vermogen en dienen altijd ten laste van de exploitatierekening te worden gebracht.
3. Het totaal van de ten laste van een instellingssubsidie getroffen voorzieningen bedraagt per jaar ten hoogste 5% van de som van verleende instellingssubsidie en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten in de vorm van gerealiseerde inkomsten uit contributies of structurele donaties.
4. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen mogen uitsluitend worden gevormd ten behoeve van activiteiten die liggen op het terrein waarvoor de instellingssubsidie is verstrekt.
5. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden binnen vijf jaar nadat zij zijn getroffen besteed aan het doel waarvoor zij zijn gevormd.
6. De herkomst, omvang, toevoegingen en onttrekkingen aan de in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden apart in de jaarrekening opgenomen.