BWBR0018842
Geldig vanaf 2005-12-29
Artikel 10
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
1. Bij het vaststellen van het ZW-, WIA- of WAO-dagloon van de persoon, wiens aanspraak op ziekengeld onderscheidenlijk arbeidsongeschiktheidsuitkering berust op artikel 46 van de ZW, artikel 10 van de Wet WIAof artikel 17 van de WAO, eindigt het refertejaar op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de verzekering is geëindigd.
2. Het ZW-dagloon van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die laatstelijk verzekerd was op grond van artikel 7 van de ZWwegens het ontvangen van een uitkering op grond van de WW, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 12.
3. Het dagloon van de persoon, wiens aanspraak op uitkering berust op artikel 3:10, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid en zorg, wordt bepaald overeenkomstig artikel 11, met dien verstande dat waar in artikel 11wordt uitgegaan van hetgeen uit de dienstbetrekking waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden is genoten in een bepaald aangiftetijdvak, bij de vaststelling van dit dagloon wordt uitgegaan van hetgeen de persoon als werknemer of gelijkgestelde als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wetheeft genoten in het aangiftetijdvak voorafgaande aan het tijdstip, dat hij niet langer werknemer of die gelijkgestelde was.
2. Het ZW-dagloon van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die laatstelijk verzekerd was op grond van artikel 7 van de ZWwegens het ontvangen van een uitkering op grond van de WW, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 12.
3. Het dagloon van de persoon, wiens aanspraak op uitkering berust op artikel 3:10, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid en zorg, wordt bepaald overeenkomstig artikel 11, met dien verstande dat waar in artikel 11wordt uitgegaan van hetgeen uit de dienstbetrekking waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden is genoten in een bepaald aangiftetijdvak, bij de vaststelling van dit dagloon wordt uitgegaan van hetgeen de persoon als werknemer of gelijkgestelde als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wetheeft genoten in het aangiftetijdvak voorafgaande aan het tijdstip, dat hij niet langer werknemer of die gelijkgestelde was.