BWBR0018822
Geldig vanaf 2005-12-27
Artikel 14
Besluit locatiegebonden subsidies 2005
1. Na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2009, stelt Onze Minister met betrekking tot elke rechtstreekse regio of provincie vast in hoeverre het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak is achtergebleven bij de aantallen die voor die regio of provincie zijn opgenomen in bijlage 2, tabel A, kolom 3, respectievelijk tabel B, kolom 4 van die bijlage.
2. Indien in de rechtstreekse en niet-rechtstreekse regio’s gezamenlijk sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio’s gezamenlijk berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio’s, ten hoogste 2% bedraagt, en indien in een zodanige regio op 1 januari 2010 sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, minder dan een half procentpunt hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, kan Onze Minister die regio of de provincie waarin die regio is gelegen, subsidie verlenen voor toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 voor ten hoogste het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, en uitsluitend voorzover:
a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, en
b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dat toelaten.
3. Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, een half procentpunt of meer, maar minder dan een heel procentpunt, hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, gaat Onze Minister in overleg met de bij het betreffende convenant woningbouwafspraken betrokken partijen na wat de oorzaken zijn die tot een zodanig lage woningproductie in het tijdvak hebben geleid dat een dergelijk woningtekort heeft kunnen ontstaan, en wat de vooruitzichten zijn voor de woningproductie in het jaar 2010 in die regio. Afhankelijk van in ieder geval de aard van die oorzaken en van die vooruitzichten, neemt Onze Minister een beslissing over het al dan niet verlenen van subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010. Indien een subsidie als bedoeld in de tweede volzin wordt verleend, wordt die subsidie verleend voor ten hoogste het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, en uitsluitend voorzover:
a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, en
b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dat toelaten.
4. Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, een heel procentpunt of meer hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, wordt geen subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 verleend.
5. Op verleende subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 worden geen voorschotten verleend, anders dan reeds verleende voorschotten op subsidies voor toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak die niet zijn gerealiseerd en die op basis van artikel 18voor terugvordering in aanmerking komen.
6. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 wordt vastgesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2010.
7. Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op het bedrag per woning, berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid, vermenigvuldigd met het blijkens de woningstatistieken, bedoeld in het zesde lid, in 2010 gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad,tot ten hoogste het bedrag van de verleende subsidie.
8. In afwijking van het zevende lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:
a. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
b. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.
2. Indien in de rechtstreekse en niet-rechtstreekse regio’s gezamenlijk sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio’s gezamenlijk berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio’s, ten hoogste 2% bedraagt, en indien in een zodanige regio op 1 januari 2010 sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, minder dan een half procentpunt hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, kan Onze Minister die regio of de provincie waarin die regio is gelegen, subsidie verlenen voor toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 voor ten hoogste het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, en uitsluitend voorzover:
a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, en
b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dat toelaten.
3. Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, een half procentpunt of meer, maar minder dan een heel procentpunt, hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, gaat Onze Minister in overleg met de bij het betreffende convenant woningbouwafspraken betrokken partijen na wat de oorzaken zijn die tot een zodanig lage woningproductie in het tijdvak hebben geleid dat een dergelijk woningtekort heeft kunnen ontstaan, en wat de vooruitzichten zijn voor de woningproductie in het jaar 2010 in die regio. Afhankelijk van in ieder geval de aard van die oorzaken en van die vooruitzichten, neemt Onze Minister een beslissing over het al dan niet verlenen van subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010. Indien een subsidie als bedoeld in de tweede volzin wordt verleend, wordt die subsidie verleend voor ten hoogste het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, en uitsluitend voorzover:
a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, en
b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dat toelaten.
4. Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, een heel procentpunt of meer hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, wordt geen subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 verleend.
5. Op verleende subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 worden geen voorschotten verleend, anders dan reeds verleende voorschotten op subsidies voor toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak die niet zijn gerealiseerd en die op basis van artikel 18voor terugvordering in aanmerking komen.
6. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 wordt vastgesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2010.
7. Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op het bedrag per woning, berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid, vermenigvuldigd met het blijkens de woningstatistieken, bedoeld in het zesde lid, in 2010 gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad,tot ten hoogste het bedrag van de verleende subsidie.
8. In afwijking van het zevende lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:
a. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
b. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.