BWBR0018382
Geldig vanaf 2005-07-01
Artikel 5
Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005
1. De secretaris-generaal heeft mandaat voor al hetgeen het ministerie betreft met inachtneming van de managementafspraak tussen de minister en de secretaris-generaal.
2. De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de directeuren van de volgens de bijlageonder hem ressorterende dienstonderdelen.
3. De plaatsvervangend secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de hoofddirecteur van het agentschap Centrale Financiën Instellingen en de directeuren van de volgens de bijlageonder hem ressorterende dienstonderdelen.
4. De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering en in de gevallen daartoe door de secretaris-generaal aangewezen. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal.
5. Voorzover de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de directeuren van de volgens de bijlageonder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.
2. De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de directeuren van de volgens de bijlageonder hem ressorterende dienstonderdelen.
3. De plaatsvervangend secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de hoofddirecteur van het agentschap Centrale Financiën Instellingen en de directeuren van de volgens de bijlageonder hem ressorterende dienstonderdelen.
4. De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering en in de gevallen daartoe door de secretaris-generaal aangewezen. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal.
5. Voorzover de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de directeuren van de volgens de bijlageonder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.