BWBR0018382
Geldig vanaf 2005-07-01
Artikel 13
Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005
1. De directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de hoofden van de agentschappen zijn bij uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot:
a. het instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten van andere bestuursorganen,
b. het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren, waarbij de direct ondergeschikte van een directeur-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie of het hoofd van een agentschap als direct-leidinggevende optreedt,
c. het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, waaraan geen goedkeuring is verleend door de directeur Personeel en Organisatie nadat dit aan de secretaris-generaal is voorgelegd,
d. goedkeuring van het voorbereiden van een reorganisatie door een directeur,
e. vaststelling of wijziging van het organisatie- en formatieplan van een onder hem ressorterend dienstonderdeel,
f. het nemen van besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden, onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdelen e en f, en artikel 15, voorzover het betreft: 1. aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben, ten aanzien van leidinggevende ambtenaren die direct ressorteren onder de directeuren,
2. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16,
3. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16, en
4. aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van ambtenaren tot en met schaal 16,
1. aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben, ten aanzien van leidinggevende ambtenaren die direct ressorteren onder de directeuren,
2. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16,
3. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16, en
4. aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van ambtenaren tot en met schaal 16,
g. opstellen van het bestedingsplan voor zijn directoraat-generaal, inspectie of agentschap op basis van de bestedingsplannen van de onder hem ressorterende organisatieonderdelen,
h. het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister goedgekeurde departementale bestedingsplan die hoger zijn dan het met betrekking tot Europese aanbestedingen geldende drempelbedrag, voor zover die niet herkenbaar zijn opgenomen in een goedgekeurd bestedingsplan of niet passen binnen het beschikbare budget,
i. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in onderdeel h, van bedragen die lager zijn dan € 5.000.000, en
j. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag tot € 500.000 voor de duur van de overeenkomst.
2. Voor het inhuren van externe professionals en uitzendkrachten door een directeur is voorafgaande goedkeuring van de directeur-generaal vereist voorzover het betreft bedragen boven € 60 per uur.
3. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet mogelijk.
4. De hoofddirecteur van CFI is gemandateerd met betrekking tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdelen p en q.
a. het instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten van andere bestuursorganen,
b. het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren, waarbij de direct ondergeschikte van een directeur-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie of het hoofd van een agentschap als direct-leidinggevende optreedt,
c. het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, waaraan geen goedkeuring is verleend door de directeur Personeel en Organisatie nadat dit aan de secretaris-generaal is voorgelegd,
d. goedkeuring van het voorbereiden van een reorganisatie door een directeur,
e. vaststelling of wijziging van het organisatie- en formatieplan van een onder hem ressorterend dienstonderdeel,
f. het nemen van besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden, onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdelen e en f, en artikel 15, voorzover het betreft: 1. aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben, ten aanzien van leidinggevende ambtenaren die direct ressorteren onder de directeuren,
2. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16,
3. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16, en
4. aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van ambtenaren tot en met schaal 16,
1. aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben, ten aanzien van leidinggevende ambtenaren die direct ressorteren onder de directeuren,
2. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16,
3. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16, en
4. aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van ambtenaren tot en met schaal 16,
g. opstellen van het bestedingsplan voor zijn directoraat-generaal, inspectie of agentschap op basis van de bestedingsplannen van de onder hem ressorterende organisatieonderdelen,
h. het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister goedgekeurde departementale bestedingsplan die hoger zijn dan het met betrekking tot Europese aanbestedingen geldende drempelbedrag, voor zover die niet herkenbaar zijn opgenomen in een goedgekeurd bestedingsplan of niet passen binnen het beschikbare budget,
i. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in onderdeel h, van bedragen die lager zijn dan € 5.000.000, en
j. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag tot € 500.000 voor de duur van de overeenkomst.
2. Voor het inhuren van externe professionals en uitzendkrachten door een directeur is voorafgaande goedkeuring van de directeur-generaal vereist voorzover het betreft bedragen boven € 60 per uur.
3. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet mogelijk.
4. De hoofddirecteur van CFI is gemandateerd met betrekking tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdelen p en q.