BWBR0018160
Geldig vanaf 2005-04-16
Artikel 3
Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008
1. De minister kan voor de periode 2005–2008 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuurbereik.
2. De minister kan voor de periode 2005–2008 aan de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leeuwarden, Maastricht, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zwolle of provincies specifieke uitkeringen verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van beeldende kunst en vormgeving.
3. De minister kan voor de jaren 2005 en 2006 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuureducatie in het primair onderwijs.
4. De Minister kan een specifieke uitkering die aan een gemeente of provincie wordt verstrekt op grond van het derde lid, verlengen tot en met het jaar 2007, indien die gemeente of provincie daarmee instemt.
2. De minister kan voor de periode 2005–2008 aan de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leeuwarden, Maastricht, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zwolle of provincies specifieke uitkeringen verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van beeldende kunst en vormgeving.
3. De minister kan voor de jaren 2005 en 2006 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuureducatie in het primair onderwijs.
4. De Minister kan een specifieke uitkering die aan een gemeente of provincie wordt verstrekt op grond van het derde lid, verlengen tot en met het jaar 2007, indien die gemeente of provincie daarmee instemt.