BWBR0018160
Geldig vanaf 2005-04-16
Artikel 10
Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008
1. De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50.
2. De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50.
3. De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50 + F × € 1,50.
4. De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50 + (G – F) × € 1,50.
5. In de formule als bedoeld in het eerste en tweede lid is:
A: het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid;
B: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004;
C: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005;
D: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004;
E: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005;
F. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006;
G. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006.
2. De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50.
3. De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50 + F × € 1,50.
4. De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50 + (G – F) × € 1,50.
5. In de formule als bedoeld in het eerste en tweede lid is:
A: het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid;
B: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004;
C: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005;
D: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004;
E: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005;
F. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006;
G. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006.