BWBR0017825
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 4
Besluit mandaat, volmacht en machtiging VROM 2005
1. Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van hun volmacht of machtiging aan onder hen ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden die verband houden met de taken van hun organisatieonderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005, met dien verstande dat geen ondermandatering plaatsvindt voor besluiten met betrekking tot de inzet van externen voor de categorieën interim-management, organisatie en formatieadvies, beleidsadvies en communicatieadvies.
2. De uitoefening door het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande instemming van de algemene leiding.
3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden hebben tevens betrekking op het uitoefenen van de dagelijkse leiding van het onderdeel waarvoor de betreffende functionarissen verantwoordelijk zijn, met inbegrip van verantwoordelijkheden op organisatorisch, financieel en materieel gebied en specifieke door het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting toegekende bevoegdheden.
4. Het diensthoofd van de Gemeenschappelijke Dienst draagt zorg voor het beheer van dit besluit en de besluiten, bedoeld in het eerste en derde lid.
2. De uitoefening door het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande instemming van de algemene leiding.
3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden hebben tevens betrekking op het uitoefenen van de dagelijkse leiding van het onderdeel waarvoor de betreffende functionarissen verantwoordelijk zijn, met inbegrip van verantwoordelijkheden op organisatorisch, financieel en materieel gebied en specifieke door het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting toegekende bevoegdheden.
4. Het diensthoofd van de Gemeenschappelijke Dienst draagt zorg voor het beheer van dit besluit en de besluiten, bedoeld in het eerste en derde lid.