BWBR0017825
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 3
Besluit mandaat, volmacht en machtiging VROM 2005
1. Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot de aangelegenheden die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005, voor zover deze bevoegdheden niet zijn toebedeeld aan de algemene leiding op grond van artikel 2en voor zover deze al niet reeds bij of krachtens de wet aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn toebedeeld.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:
a. de taken van integraal management, met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;
b. het met voorafgaande goedkeuring van de algemene leiding inzetten en uitvoeren van organisatieveranderingen en formatieveranderingen;
c. het vaststellen van de formatie tot schaal 13 van de onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende onderdelen, met dien verstande dat functiewaarderingsbesluiten met betrekking tot de functionarissen, die rechtstreeks vallen onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting, en die functies, die niet opgenomen zijn in de formatie, zijn voorbehouden aan de algemene leiding;
d. het leidinggeven aan de rechtstreeks onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende functionarissen;
e. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in de overlegvergadering met de medezeggenschap van het onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende organisatieonderdeel.
3. Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005, behoudens het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005.
5. Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn gemachtigd tot het aangaan van (financiële) verplichtingen, voorzien in de vastgestelde begrotingen van hun organisatieonderdelen.
6. Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk planbureau de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn bevoegd tot het uitvoeren van de taken en het uitoefenen van de bevoegdheden ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, als bedoeld in de Regeling Wet bescherming persoonsgegevens Ministerie VROM, binnen hun organisatieonderdelen.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:
a. de taken van integraal management, met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;
b. het met voorafgaande goedkeuring van de algemene leiding inzetten en uitvoeren van organisatieveranderingen en formatieveranderingen;
c. het vaststellen van de formatie tot schaal 13 van de onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende onderdelen, met dien verstande dat functiewaarderingsbesluiten met betrekking tot de functionarissen, die rechtstreeks vallen onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting, en die functies, die niet opgenomen zijn in de formatie, zijn voorbehouden aan de algemene leiding;
d. het leidinggeven aan de rechtstreeks onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende functionarissen;
e. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in de overlegvergadering met de medezeggenschap van het onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende organisatieonderdeel.
3. Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005, behoudens het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005.
5. Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn gemachtigd tot het aangaan van (financiële) verplichtingen, voorzien in de vastgestelde begrotingen van hun organisatieonderdelen.
6. Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk planbureau de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn bevoegd tot het uitvoeren van de taken en het uitoefenen van de bevoegdheden ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, als bedoeld in de Regeling Wet bescherming persoonsgegevens Ministerie VROM, binnen hun organisatieonderdelen.