BWBR0017656
Geldig vanaf 2004-12-22
Artikel 3
Tijdelijke regeling verstrekking tachograafkaarten
1. Een bestuurderskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager:
a. zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 14, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 in Nederland heeft;
b. in het bezit is van een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het besturen van een voertuig in de zin van artikel 2.3:1, aanhef en onder a en b, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer;
c. nog geen houder is van een bestuurderskaart, tenzij het een aanvraag betreft overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid.
2. Een bedrijfskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996, tot een maximum van 62 exemplaren per aanvrager.
3. Een werkplaatskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager:
a. met goed gevolg een cursus heeft doorlopen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Regeling controleapparaten, waarin het installeren, functioneren en repareren van digitale controleapparaten is betrokken;
b. onder gezag of in de hoedanigheid van een erkenninghouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Regeling controleapparaten, werkzaamheden verricht.
c. nog geen houder is van een geldige werkplaatskaart, tenzij het een aanvraag betreft: i. overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid;
ii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden onder gezag van een andere erkenninghouder dan degene onder wiens gezag de aanvrager reeds een kaart bezit;
iii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden in de hoedanigheid van erkenninghouder en aanvrager in die hoedanigheid niet reeds houder is van een op zijn naam gestelde werkplaatskaart.
i. overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid;
ii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden onder gezag van een andere erkenninghouder dan degene onder wiens gezag de aanvrager reeds een kaart bezit;
iii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden in de hoedanigheid van erkenninghouder en aanvrager in die hoedanigheid niet reeds houder is van een op zijn naam gestelde werkplaatskaart.
4. Bij de aanvraag van een bestuurderskaart of werkplaatskaart overlegt de aanvrager in ieder geval een niet beschadigde, recente, goed gelijkende pasfoto van de aanvrager van ongeveer 4 cm hoog en 3 cm breed, waarbij het gezicht van voren, tegen een lichte, egale achtergrond is gefotografeerd.
a. zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 14, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 in Nederland heeft;
b. in het bezit is van een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het besturen van een voertuig in de zin van artikel 2.3:1, aanhef en onder a en b, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer;
c. nog geen houder is van een bestuurderskaart, tenzij het een aanvraag betreft overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid.
2. Een bedrijfskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996, tot een maximum van 62 exemplaren per aanvrager.
3. Een werkplaatskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager:
a. met goed gevolg een cursus heeft doorlopen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Regeling controleapparaten, waarin het installeren, functioneren en repareren van digitale controleapparaten is betrokken;
b. onder gezag of in de hoedanigheid van een erkenninghouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Regeling controleapparaten, werkzaamheden verricht.
c. nog geen houder is van een geldige werkplaatskaart, tenzij het een aanvraag betreft: i. overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid;
ii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden onder gezag van een andere erkenninghouder dan degene onder wiens gezag de aanvrager reeds een kaart bezit;
iii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden in de hoedanigheid van erkenninghouder en aanvrager in die hoedanigheid niet reeds houder is van een op zijn naam gestelde werkplaatskaart.
i. overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid;
ii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden onder gezag van een andere erkenninghouder dan degene onder wiens gezag de aanvrager reeds een kaart bezit;
iii. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden in de hoedanigheid van erkenninghouder en aanvrager in die hoedanigheid niet reeds houder is van een op zijn naam gestelde werkplaatskaart.
4. Bij de aanvraag van een bestuurderskaart of werkplaatskaart overlegt de aanvrager in ieder geval een niet beschadigde, recente, goed gelijkende pasfoto van de aanvrager van ongeveer 4 cm hoog en 3 cm breed, waarbij het gezicht van voren, tegen een lichte, egale achtergrond is gefotografeerd.