BWBR0017656
Geldig vanaf 2004-12-22
Artikel 10
Tijdelijke regeling verstrekking tachograafkaarten
1. De wijze van afgifte van een tachograafkaart wordt schriftelijk aan de aanvrager gemeld.
2. Afgifte van een bestuurderskaart geschiedt op vertoon door de aanvrager van een op zijn naam gesteld, geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de aan hem gezonden en door hem ondertekende schriftelijke melding, bedoeld in het eerste lid.
3. Afgifte van een werkplaatskaart geschiedt op vertoon door de aanvrager van een in het tweede lid bedoeld rijbewijs of een op zijn naam gesteld, geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aan hem gezonden en door hem ondertekende schriftelijke melding, bedoeld in het eerste lid.
4. Een bestuurderskaart of werkplaatskaart die is aangevraagd in verband met beschadiging of slechte werking van de gehouden kaart wordt niet eerder afgegeven dan na inlevering van de te vervangen kaart op de plaats van afgifte.
5. Bij afgifte van een bestuurderskaart aan een persoon als bedoeld in artikel 4, eerste, tweede of derde lid, toont aanvrager naast de in het tweede lid genoemde documenten ook zijn paspoort.
2. Afgifte van een bestuurderskaart geschiedt op vertoon door de aanvrager van een op zijn naam gesteld, geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de aan hem gezonden en door hem ondertekende schriftelijke melding, bedoeld in het eerste lid.
3. Afgifte van een werkplaatskaart geschiedt op vertoon door de aanvrager van een in het tweede lid bedoeld rijbewijs of een op zijn naam gesteld, geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aan hem gezonden en door hem ondertekende schriftelijke melding, bedoeld in het eerste lid.
4. Een bestuurderskaart of werkplaatskaart die is aangevraagd in verband met beschadiging of slechte werking van de gehouden kaart wordt niet eerder afgegeven dan na inlevering van de te vervangen kaart op de plaats van afgifte.
5. Bij afgifte van een bestuurderskaart aan een persoon als bedoeld in artikel 4, eerste, tweede of derde lid, toont aanvrager naast de in het tweede lid genoemde documenten ook zijn paspoort.