BWBR0017462
Geldig vanaf 2009-10-16
Artikel 8b
Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang
1. In afwijking van artikel 4, verricht de toezichthouder in de periode 1 juli 2010 tot en met 31 december 2011 een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, van de wetnaar een voorziening voor gastouderopvang ten minste aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel A.
2. Indien de toezichthouder het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend heeft verricht aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel A, en indien werd voldaan aan dat gedeelte van het toetsingskader, verricht de toezichthouder uiterlijk op 31 december 2011 alsnog een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel B, naar een voorziening voor gastouderopvang waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder,
3. Een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel Bkan uiterlijk 31 december 2011 eveneens plaatsvinden bij een andere voorziening voor gastouderopvang dan die, bedoeld in het tweede lid, indien sprake is van een ernstig vermoeden dat bij die andere voorziening de exploitatie niet zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2en 3, van de wet, dan wel op basis van een steekproef.
4. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012.
2. Indien de toezichthouder het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend heeft verricht aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel A, en indien werd voldaan aan dat gedeelte van het toetsingskader, verricht de toezichthouder uiterlijk op 31 december 2011 alsnog een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel B, naar een voorziening voor gastouderopvang waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder,
3. Een onderzoek aan de hand van een toetsingskader overeenkomstig het model in bijlage 3, deel Bkan uiterlijk 31 december 2011 eveneens plaatsvinden bij een andere voorziening voor gastouderopvang dan die, bedoeld in het tweede lid, indien sprake is van een ernstig vermoeden dat bij die andere voorziening de exploitatie niet zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2en 3, van de wet, dan wel op basis van een steekproef.
4. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012.