BWBR0017462
Geldig vanaf 2009-10-16
Artikel 4
Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang
1. Voordat de toezichthouder een onderzoek verricht als bedoeld in artikel 3stelt hij aan de hand van bijlagen 1, 2, 3en 4, bedoeld in artikel 3, tweede lid, vast of sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang in de zin van de wet en of een aanvraag is gedaan in de zin van de wet voor deze opvang.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang in de zin van de wet, dan vindt artikel 3, eerste lid, geen toepassing. In dat geval informeert de toezichthouder het college van de gemeente waar de opvang, niet zijnde kinderopvang in de zin van de wet,voorkomt.
3. Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van niet-gemelde kinderopvang in een kindercentrum of niet-gemelde gastouderopvang die door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de toezichthouder het college van burgemeester en wethouders waar de niet-gemelde kinderopvang of de niet-gemelde gastouderopvang voorkomt.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang in de zin van de wet, dan vindt artikel 3, eerste lid, geen toepassing. In dat geval informeert de toezichthouder het college van de gemeente waar de opvang, niet zijnde kinderopvang in de zin van de wet,voorkomt.
3. Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van niet-gemelde kinderopvang in een kindercentrum of niet-gemelde gastouderopvang die door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de toezichthouder het college van burgemeester en wethouders waar de niet-gemelde kinderopvang of de niet-gemelde gastouderopvang voorkomt.