BWBR0017326
Geldig vanaf 2004-10-31
Artikel 9
Tijdelijke vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004
1. Voor de volgende situaties wordt vrijstelling verleend van artikel 9 van het Besluit:
a) het zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw op of in de bodem gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen;
b) het opnieuw warm in situ op of in de bodem gebruiken van asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen, indien conform het CROW-rapport 04-08 voorpublicatie 210 ‘Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt’’ wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is.
2. Voor het binnen een project op of in de bodem zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen wordt vrijstelling verleend van artikel 9en artikel 11, zevende lid, juncto bijlage 3, onder 4, van het Besluit, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2, van het Besluit:
a) op grond van algemene informatie; of
b) aan de hand van gegevens omtrent samenstelling en immissie die zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk onder de vigeur van het Besluit of het IPO-interimbeleid ‘Werken met secundaire grondstoffen’.
3. Voor het binnen een project op of in de bodem zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van categorie 1-bouwstoffen niet zijnde grond wordt vrijstelling verleend van artikel 9 van het Besluit, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2, van het Besluit:
a) op grond van algemene informatie; of
b) aan de hand van gegevens omtrent samenstelling en immissie die zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk onder de vigeur van het Besluit of het IPO-interimbeleid ‘Werken met secundaire grondstoffen’.
4. De gegevens als bedoeld in het tweede lid worden bij de melding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluitverstrekt.
5. De gegevens als bedoeld in het derde lid worden tot vijf jaar na het tijdstip waarop een categorie 1-bouwstof niet zijnde grond in een werk is aangebracht op verzoek van het bevoegd gezag verstrekt.
a) het zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw op of in de bodem gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen;
b) het opnieuw warm in situ op of in de bodem gebruiken van asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen, indien conform het CROW-rapport 04-08 voorpublicatie 210 ‘Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt’’ wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is.
2. Voor het binnen een project op of in de bodem zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen wordt vrijstelling verleend van artikel 9en artikel 11, zevende lid, juncto bijlage 3, onder 4, van het Besluit, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2, van het Besluit:
a) op grond van algemene informatie; of
b) aan de hand van gegevens omtrent samenstelling en immissie die zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk onder de vigeur van het Besluit of het IPO-interimbeleid ‘Werken met secundaire grondstoffen’.
3. Voor het binnen een project op of in de bodem zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van categorie 1-bouwstoffen niet zijnde grond wordt vrijstelling verleend van artikel 9 van het Besluit, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2, van het Besluit:
a) op grond van algemene informatie; of
b) aan de hand van gegevens omtrent samenstelling en immissie die zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk onder de vigeur van het Besluit of het IPO-interimbeleid ‘Werken met secundaire grondstoffen’.
4. De gegevens als bedoeld in het tweede lid worden bij de melding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluitverstrekt.
5. De gegevens als bedoeld in het derde lid worden tot vijf jaar na het tijdstip waarop een categorie 1-bouwstof niet zijnde grond in een werk is aangebracht op verzoek van het bevoegd gezag verstrekt.