BWBR0017234
Geldig vanaf 2004-10-06
Artikel 11
Besluit EOS: lange termijn
1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek.
2. Onze Minister wint geen advies in over een aanvraag voor een haalbaarheidsstudie.
3. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van het besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het project;
c. indien toepassing van het het resultaat van het lange termijn-project in de markt naar verwachting eerder zal plaatsvinden dan tien jaren na het tijdstip van de subsidieverlening;
d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
e. indien het neo-project onvoldoende potentie heeft om bij te dragen aan de opbouw van een sterkere kennispositie in Nederland.
4. De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen criteria omtrent een duurzame energiehuishouding of aan de versterking van de kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de rangschikking wegingsfactoren worden vastgesteld.
2. Onze Minister wint geen advies in over een aanvraag voor een haalbaarheidsstudie.
3. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van het besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het project;
c. indien toepassing van het het resultaat van het lange termijn-project in de markt naar verwachting eerder zal plaatsvinden dan tien jaren na het tijdstip van de subsidieverlening;
d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
e. indien het neo-project onvoldoende potentie heeft om bij te dragen aan de opbouw van een sterkere kennispositie in Nederland.
4. De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen criteria omtrent een duurzame energiehuishouding of aan de versterking van de kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de rangschikking wegingsfactoren worden vastgesteld.