BWBR0016951
Geldig vanaf 2004-07-15
Artikel 2
Regeling taken en bevoegdheden VROM 2004
1. In de uitoefening van de Ambtelijke Leiding van het Ministerie is de secretaris-generaal bevoegd tot het nemen van besluiten in verband met de coördinatie en integratie en de zorg voor éénheid en efficiency van beleid en de bedrijfsvoering van het Ministerie.
2. Onverminderd de Ambtelijke Leiding van het Ministerie door de secretaris-generaalzijn de Hoofden van dienst belast met de dagelijkse leiding van hun dienst en die onderwerpen die, mede op grond van in de Bestuursraad gemaakte afspraken, aan hen als lid van de Bestuursraad zijn toegewezen. Zij ondernemen alle activiteiten die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding en de uitvoering van het door de Minister en de Staatssecretaris bepaalde beleid.
3. De Hoofden van dienst zijn verantwoordelijk voor het beheer van hun dienst binnen de daarvoor door de Secretaris-generaal gestelde kaders, en met uitzondering van de taken en bevoegdheden, welke zijn opgedragen aan de hoofden van de organisatieonderdelen. De taken en bevoegdheden van de hoofden van de organisatieonderdelen kunnen door de Minister nader worden aangevuld.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid, zijn uitgezonderd de taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de wet zijn opgedragen aan andere instanties.
2. Onverminderd de Ambtelijke Leiding van het Ministerie door de secretaris-generaalzijn de Hoofden van dienst belast met de dagelijkse leiding van hun dienst en die onderwerpen die, mede op grond van in de Bestuursraad gemaakte afspraken, aan hen als lid van de Bestuursraad zijn toegewezen. Zij ondernemen alle activiteiten die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding en de uitvoering van het door de Minister en de Staatssecretaris bepaalde beleid.
3. De Hoofden van dienst zijn verantwoordelijk voor het beheer van hun dienst binnen de daarvoor door de Secretaris-generaal gestelde kaders, en met uitzondering van de taken en bevoegdheden, welke zijn opgedragen aan de hoofden van de organisatieonderdelen. De taken en bevoegdheden van de hoofden van de organisatieonderdelen kunnen door de Minister nader worden aangevuld.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid, zijn uitgezonderd de taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de wet zijn opgedragen aan andere instanties.