BWBR0015174
Geldig vanaf 2003-06-21
Artikel 3
Regeling spaarverlof primair onderwijs
1. De spaarperiode bedraagt tenminste vijf jaren en voor een betrokkene die op 1 augustus 1998 50 jaar of ouder was, tenminste vier jaren.
2. De spaarperiode bedraagt ten hoogste twaalf jaar.
3. De spaarperiode vangt aan bij het begin van het schooljaar en eindigt bij het einde van het schooljaar, met dien verstande dat bij aanvang van de benoeming, als bedoeld in artikel 156 ( I-R108) van het Rpbo, de periode ingaat op de eerste dag na de zomervakantie.
4. De opbouw van het spaarverlof in het schooljaar geschiedt naar evenredigheid per kalendermaand.
5. In afwijking van het vierde lid kan de spaarperiode op een ander tijdstip aanvangen ingeval betrokkene niet bij het begin van het schooljaar is benoemd en hij in zijn vorige dienstverband al spaarde voor het verkrijgen van spaarverlof.
2. De spaarperiode bedraagt ten hoogste twaalf jaar.
3. De spaarperiode vangt aan bij het begin van het schooljaar en eindigt bij het einde van het schooljaar, met dien verstande dat bij aanvang van de benoeming, als bedoeld in artikel 156 ( I-R108) van het Rpbo, de periode ingaat op de eerste dag na de zomervakantie.
4. De opbouw van het spaarverlof in het schooljaar geschiedt naar evenredigheid per kalendermaand.
5. In afwijking van het vierde lid kan de spaarperiode op een ander tijdstip aanvangen ingeval betrokkene niet bij het begin van het schooljaar is benoemd en hij in zijn vorige dienstverband al spaarde voor het verkrijgen van spaarverlof.