BWBR0015158
Geldig vanaf 2009-04-02
Artikel 9
Spoedwet wegverbreding
1. Onze Minister stelt het wegaanpassingsbesluit vast binnen tien weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.
2. Indien het wegaanpassingsbesluit niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt vastgesteld, deelt Onze Minister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de reden mee aan de Staten-Generaal.
3. De betrokken bestuursorganen zenden binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ontwerpen van de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit aan Onze Minister.
4. <a href="/wet/BWBR0037552/artikel/2.7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming</a>is niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft.
5. Indien handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0037552" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet natuurbescherming</a>kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, wordt het wegaanpassingsbesluit uitsluitend vastgesteld indien is voldaan aan <a href="/wet/BWBR0037552/artikel/2.8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.8 van die wet</a>.
6. Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien ten aanzien van het project of de andere handeling waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft, is voldaan aan <a href="/wet/BWBR0037552/artikel/2.9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.9, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wet natuurbescherming</a>.
2. Indien het wegaanpassingsbesluit niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt vastgesteld, deelt Onze Minister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de reden mee aan de Staten-Generaal.
3. De betrokken bestuursorganen zenden binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ontwerpen van de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit aan Onze Minister.
4. <a href="/wet/BWBR0037552/artikel/2.7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming</a>is niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft.
5. Indien handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0037552" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet natuurbescherming</a>kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, wordt het wegaanpassingsbesluit uitsluitend vastgesteld indien is voldaan aan <a href="/wet/BWBR0037552/artikel/2.8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.8 van die wet</a>.
6. Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien ten aanzien van het project of de andere handeling waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft, is voldaan aan <a href="/wet/BWBR0037552/artikel/2.9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.9, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wet natuurbescherming</a>.