BWBR0014788
Geldig vanaf 2003-07-03
Artikel 7
Regeling indicatiecriteria leerlinggebonden financiering en aanmeldingsgegevens leerlinggebonden financiering
1. Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen, onverminderd artikel 10, indien:
a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 60, niet zijnde een diepe of ernstige stoornis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, en
b. sprake is van een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d.
2. Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, aanhef, indien:
a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt tussen 59 en 70;
b. een ernstige stoornis volgens het classificatiesysteem ICF, DSM-IV of ICD-10 is vastgesteld die de beperking, bedoeld onder c, negatief beïnvloedt;
c. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit: 1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a., ofwel het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, en
2° een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d., en
1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a., ofwel het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, en
2° een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d., en
d. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 60, niet zijnde een diepe of ernstige stoornis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, en
b. sprake is van een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d.
2. Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, aanhef, indien:
a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt tussen 59 en 70;
b. een ernstige stoornis volgens het classificatiesysteem ICF, DSM-IV of ICD-10 is vastgesteld die de beperking, bedoeld onder c, negatief beïnvloedt;
c. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit: 1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a., ofwel het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, en
2° een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d., en
1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a., ofwel het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, en
2° een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d., en
d. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.