BWBR0013816
Geldig vanaf 2002-07-19
Artikel 3
Wet inzake de geldtransactiekantoren
1. Het is verboden als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn.
2. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op:
a. degene die als geldtransactiekantoor is ingeschreven in het register als bedoeld in deze wet;
b. De Nederlandsche Bank N.V.;
c. financiële ondernemingen die ingevolge artikel 2:11 of 2:20 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen;
d. financiële ondernemingen die ingevolge 2:15 of 2:18 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen, voorzover het hen op grond van artikel 3:39 is toegestaan in Nederland werkzaamheden als geldtransactiekantoor te verrichten;
e. financiële instellingen die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen, voorzover het hen op grond van artikel 2:25, 2:26, onderscheidenlijk 3:110, van die wet is toegestaan in Nederland werkzaamheden als geldtransactiekantoor te verrichten.
2. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op:
a. degene die als geldtransactiekantoor is ingeschreven in het register als bedoeld in deze wet;
b. De Nederlandsche Bank N.V.;
c. financiële ondernemingen die ingevolge artikel 2:11 of 2:20 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen;
d. financiële ondernemingen die ingevolge 2:15 of 2:18 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen, voorzover het hen op grond van artikel 3:39 is toegestaan in Nederland werkzaamheden als geldtransactiekantoor te verrichten;
e. financiële instellingen die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen, voorzover het hen op grond van artikel 2:25, 2:26, onderscheidenlijk 3:110, van die wet is toegestaan in Nederland werkzaamheden als geldtransactiekantoor te verrichten.