BWBR0013800
Geldig vanaf 2021-04-07
Artikel 9
Wet op het onderwijstoezicht
1. Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn, voorzover deze niet het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, sub 1, gegeven voorschriften betreffen, de <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:12 tot en met 5:17</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>van overeenkomstige toepassing.
2. De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen personen.
3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen.
4. Van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. De kosten die samenhangen met de uitoefening van het toezicht op de naleving van de <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/1.19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 1.19</a>en <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/1.19a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">1.19a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>, komen ten laste van de instelling voor hoger onderwijs ten behoeve waarvan de uitoefening van het toezicht plaatsvindt.
6. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen personen.
3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen.
4. Van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. De kosten die samenhangen met de uitoefening van het toezicht op de naleving van de <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/1.19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 1.19</a>en <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/1.19a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">1.19a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>, komen ten laste van de instelling voor hoger onderwijs ten behoeve waarvan de uitoefening van het toezicht plaatsvindt.
6. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.