BWBR0013800
Geldig vanaf 2021-04-07
Artikel 15i
Wet op het onderwijstoezicht
1. De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, eerste lid, aan de hand van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie in kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvangvastgestelde bepalingen, te weten:
a. de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie,
b. het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid,
c. de kwaliteit van de educatie,
d. ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen,
e. kwaliteitszorg,
f. de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.
2. De inspectie rapporteert over de bevindingen van het toezicht aan de houder van een kindercentrum en aan het college van burgemeester en wethouders.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de inspectie uit eigen beweging incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van de voorschoolse educatie in kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvangvastgestelde bepalingen.
4. Artikel 13is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «andere betrokkenen» in ieder geval wordt verstaan: vertegenwoordigers van houders van kindercentra als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang.
5. De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, tweede lid, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister. Het college van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in op eigen initiatief of als een partij als bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijsaan het college hierom verzoekt.
a. de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie,
b. het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid,
c. de kwaliteit van de educatie,
d. ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen,
e. kwaliteitszorg,
f. de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.
2. De inspectie rapporteert over de bevindingen van het toezicht aan de houder van een kindercentrum en aan het college van burgemeester en wethouders.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de inspectie uit eigen beweging incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van de voorschoolse educatie in kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvangvastgestelde bepalingen.
4. Artikel 13is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «andere betrokkenen» in ieder geval wordt verstaan: vertegenwoordigers van houders van kindercentra als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang.
5. De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, tweede lid, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister. Het college van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in op eigen initiatief of als een partij als bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijsaan het college hierom verzoekt.