BWBR0013477
Geldig vanaf 2003-01-01
Artikel 5
Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel
1. Het hoofdbedrijfschap heeft commissies voor aangelegenheden verband houdend met:
a. consumptie-, fabrieks- en voeraardappelen;
b. pootaardappelen;
c. bloemkwekerijproducten;
d. groenten en fruit;
2. De leden van de commissies worden benoemd door door de raad aan te wijzen organisaties van ondernemers en van werknemers.Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar het oordeel van de raad representatieve organisaties van ondernemers en werknemers.
3. De organisaties van ondernemers en van werknemers die leden benoemen van de in artikel 6 tot en met artikel 9genoemde commissies, zijn bevoegd voor elk lid dat zij benoemen tevens een plaatsvervanger aan te wijzen.
4. De zittingsperiode van de leden van de commissies valt samen met die van de leden van het bestuur van het bedrijfschap.
5. De voorzitter van de commissie wordt door het bestuur op voordracht van de commissie al dan niet uit het midden van de commissie benoemd. De leden van elk van de commissies benoemen desgewenst uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter.
6. De commissies dienen elk voor haar werkgebied het bestuur van advies en voeren de door het bestuur aan hen gedelegeerde taken uit.
a. consumptie-, fabrieks- en voeraardappelen;
b. pootaardappelen;
c. bloemkwekerijproducten;
d. groenten en fruit;
2. De leden van de commissies worden benoemd door door de raad aan te wijzen organisaties van ondernemers en van werknemers.Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar het oordeel van de raad representatieve organisaties van ondernemers en werknemers.
3. De organisaties van ondernemers en van werknemers die leden benoemen van de in artikel 6 tot en met artikel 9genoemde commissies, zijn bevoegd voor elk lid dat zij benoemen tevens een plaatsvervanger aan te wijzen.
4. De zittingsperiode van de leden van de commissies valt samen met die van de leden van het bestuur van het bedrijfschap.
5. De voorzitter van de commissie wordt door het bestuur op voordracht van de commissie al dan niet uit het midden van de commissie benoemd. De leden van elk van de commissies benoemen desgewenst uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter.
6. De commissies dienen elk voor haar werkgebied het bestuur van advies en voeren de door het bestuur aan hen gedelegeerde taken uit.