BWBR0013315
Geldig vanaf 19-09-2002
Artikel 9
Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002
Een effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, als bedoeld in artikel 15 Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 respectievelijk een effecteninstelling, zijnde een kredietinstelling, als bedoeld in artikel 16 Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002, maakt enkel gebruik van de aldaar bedoelde effectengiro respectievelijk bewaarinstelling indien
- de effectengiro respectievelijk de bewaarinstelling beschikt over een bedrag aan eigen vermogen als omschreven in bijlage I, met inachtneming van rubriek 2.5.3 van bijlage 2, van ten minste 125.000 euro;
- de Bank bij de effectengiro respectievelijk de bewaarinstelling alle inlichtingen kan inwinnen of doen inwinnen, die naar het oordeel van de Bank nodig zijn voor het toezicht op het eigen vermogen; en
- de effectengiro respectievelijk de bewaarinstelling zorg draagt voor een adequate administratieve organisatie met betrekking tot de in bewaring genomen effecten en gelden respectievelijk effecten, overeenkomstig bijlage 3 van deze regeling, voor zover nodig voor het toezicht op het eigen vermogen.
- de effectengiro respectievelijk de bewaarinstelling beschikt over een bedrag aan eigen vermogen als omschreven in bijlage I, met inachtneming van rubriek 2.5.3 van bijlage 2, van ten minste 125.000 euro;
- de Bank bij de effectengiro respectievelijk de bewaarinstelling alle inlichtingen kan inwinnen of doen inwinnen, die naar het oordeel van de Bank nodig zijn voor het toezicht op het eigen vermogen; en
- de effectengiro respectievelijk de bewaarinstelling zorg draagt voor een adequate administratieve organisatie met betrekking tot de in bewaring genomen effecten en gelden respectievelijk effecten, overeenkomstig bijlage 3 van deze regeling, voor zover nodig voor het toezicht op het eigen vermogen.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013315
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl