BWBR0013315
Geldig vanaf 19-09-2002
Artikel 8
Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002
1. Een effecteninstelling waarop artikel 4, eerste lid, van toepassing is, rapporteert door middel van staten overeenkomstig de door de Bank te verstrekken modellen aan de Bank per ultimo van iedere maand, uiterlijk op de tiende werkdag na afloop van de desbetreffende maand, over de balans, resultatenrekening, de stand van het toetsingsvermogen alsmede over de grote risico's als bedoeld in bijlage 2.
2. In afwijking van het eerste lid, rapporteert de effecteninstelling die de effectendiensten als bedoeld in artikel 1, onder h, sub 1 of 8a, verricht, door middel van staten overeenkomstig de door de Bank te verstrekken modellen, aan de Bank per ultimo van ieder kwartaal, uiterlijk op de vijftiende werkdag na afloop van het desbetreffende kwartaal, over de balans, resultatenrekening, de stand van het toetsingsvermogen alsmede over de grote risico's als bedoeld in bijlage 2.
3. De effecteninstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid rapporteert de Bank onverwijld indien het aanwezige toetsingsvermogen daalt onder de grenswaarde van 120% van het toetsingsvermogen waarover de effecteninstelling ingevolge artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, dient te beschikken.
4. Een effecteninstelling als bedoeld in artikel 2 rapporteert de Bank onverwijld indien het aanwezige eigen vermogen daalt onder de voor die instelling ingevolge artikel 2 vereiste eigen vermogen.
5. Onverminderd het eerste tot en met het tweede lid, rapporteert een effecteninstelling zoveel vaker aan de Bank als de Bank dat eist.
2. In afwijking van het eerste lid, rapporteert de effecteninstelling die de effectendiensten als bedoeld in artikel 1, onder h, sub 1 of 8a, verricht, door middel van staten overeenkomstig de door de Bank te verstrekken modellen, aan de Bank per ultimo van ieder kwartaal, uiterlijk op de vijftiende werkdag na afloop van het desbetreffende kwartaal, over de balans, resultatenrekening, de stand van het toetsingsvermogen alsmede over de grote risico's als bedoeld in bijlage 2.
3. De effecteninstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid rapporteert de Bank onverwijld indien het aanwezige toetsingsvermogen daalt onder de grenswaarde van 120% van het toetsingsvermogen waarover de effecteninstelling ingevolge artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, dient te beschikken.
4. Een effecteninstelling als bedoeld in artikel 2 rapporteert de Bank onverwijld indien het aanwezige eigen vermogen daalt onder de voor die instelling ingevolge artikel 2 vereiste eigen vermogen.
5. Onverminderd het eerste tot en met het tweede lid, rapporteert een effecteninstelling zoveel vaker aan de Bank als de Bank dat eist.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013315
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl