BWBR0013315
Geldig vanaf 19-09-2002
Artikel 4
Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002
1. Onverminderd het bedrag van het in artikel 3 bedoelde toetsingsvermogen, beschikt een effecteninstelling, met uitzondering van de plaatselijke onderneming, over een toetsingsvermogen van ten minste 25% van de vaste kosten van de effecteninstelling in het afgelopen boekjaar.
2. De vaste kosten als bedoeld in het eerste lid, omvatten alle kosten, met uitzondering van:
a) de variabele kosten van werknemers waarvan het dienstverband niet onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
b) de kosten van werknemers waarvan het dienstverband onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
c) de variabele kosten betreffende de voor de effecteninstelling verrichte effectendiensten;
d) de afschrijvingen;
e) de rentekosten over achtergestelde leningen als bedoeld in bijlage 1, rubriek 1.2.1.f;
f) de buitengewone kosten met een eenmalig karakter; en
g) de overige, door de Bank schriftelijk goedgekeurde, variabele kosten.
3. De Bank kan het krachtens het eerste lid vereiste toetsingsvermogen aanpassen in geval dat naar haar oordeel sprake is van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de effecteninstelling sinds het voorgaande boekjaar.
4. Wanneer de effecteninstelling haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt het vereiste een kwart van het in het programma van werkzaamheden van de effecteninstelling begrote cijfer voor de vaste kosten, tenzij de Bank aanpassing van dit programma verlangt.
2. De vaste kosten als bedoeld in het eerste lid, omvatten alle kosten, met uitzondering van:
a) de variabele kosten van werknemers waarvan het dienstverband niet onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
b) de kosten van werknemers waarvan het dienstverband onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
c) de variabele kosten betreffende de voor de effecteninstelling verrichte effectendiensten;
d) de afschrijvingen;
e) de rentekosten over achtergestelde leningen als bedoeld in bijlage 1, rubriek 1.2.1.f;
f) de buitengewone kosten met een eenmalig karakter; en
g) de overige, door de Bank schriftelijk goedgekeurde, variabele kosten.
3. De Bank kan het krachtens het eerste lid vereiste toetsingsvermogen aanpassen in geval dat naar haar oordeel sprake is van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de effecteninstelling sinds het voorgaande boekjaar.
4. Wanneer de effecteninstelling haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt het vereiste een kwart van het in het programma van werkzaamheden van de effecteninstelling begrote cijfer voor de vaste kosten, tenzij de Bank aanpassing van dit programma verlangt.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013315
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl