BWBR0013242
Geldig vanaf 2001-12-23
Artikel 18
Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001
1. De bijdrage kan uitsluitend worden besteed aan:
a. activiteiten van concessiehouders die leiden tot kosten, toe te rekenen aan openbaar vervoer;
b. activiteiten verricht door medewerkers van concessieverleners, voor zover deze direct betrekking hebben op het openbaar vervoer;
c. maatregelen ten behoeve van projecten sociale veiligheid en toegankelijkheid;
d. investeringen in infrastructuur ten behoeve van openbaar vervoer;
e. onderhoud en instandhouding van lokale en regionale (rail)infrastructuur voor tram, metro, sneltram en (trolley)bus;
f. reservering voor openbaar vervoer, met inbegrip van de wettelijke rente minus 4% over het positieve saldo van de reserve op 1 januari van het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
2. De bijdrage kan tevens worden besteed aan:
a. vormen van vervoer waarvoor op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 de artikelen met betrekking tot het verlenen van een bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer van toepassing zijn. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing;
b. vormen van vervoer waarvoor op grond van een experiment als bedoeld in artikel 3 van de Wet personenvervoer 2000 een bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer is verstrekt. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3. De per concessieverlener geoormerkte bijdragen worden uitsluitend aangewend voor de doelen waarvoor zij zijn verleend. Reservering van de geoormerkte bijdrage voor de verbetering van de sociale veiligheid kan plaatsvinden, waarbij de reserve aan het eind van het jaar niet groter mag zijn dan de bijdrage in dat jaar, of indien deze bijdrage lager is dan € 25.000,– niet groter dan het totaal van deze bijdragen in het lopende en het voorafgaande jaar, tenzij de reservering bestemd is voor de aanschaf van duurzame productiemiddelen..
a. activiteiten van concessiehouders die leiden tot kosten, toe te rekenen aan openbaar vervoer;
b. activiteiten verricht door medewerkers van concessieverleners, voor zover deze direct betrekking hebben op het openbaar vervoer;
c. maatregelen ten behoeve van projecten sociale veiligheid en toegankelijkheid;
d. investeringen in infrastructuur ten behoeve van openbaar vervoer;
e. onderhoud en instandhouding van lokale en regionale (rail)infrastructuur voor tram, metro, sneltram en (trolley)bus;
f. reservering voor openbaar vervoer, met inbegrip van de wettelijke rente minus 4% over het positieve saldo van de reserve op 1 januari van het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
2. De bijdrage kan tevens worden besteed aan:
a. vormen van vervoer waarvoor op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 de artikelen met betrekking tot het verlenen van een bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer van toepassing zijn. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing;
b. vormen van vervoer waarvoor op grond van een experiment als bedoeld in artikel 3 van de Wet personenvervoer 2000 een bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer is verstrekt. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3. De per concessieverlener geoormerkte bijdragen worden uitsluitend aangewend voor de doelen waarvoor zij zijn verleend. Reservering van de geoormerkte bijdrage voor de verbetering van de sociale veiligheid kan plaatsvinden, waarbij de reserve aan het eind van het jaar niet groter mag zijn dan de bijdrage in dat jaar, of indien deze bijdrage lager is dan € 25.000,– niet groter dan het totaal van deze bijdragen in het lopende en het voorafgaande jaar, tenzij de reservering bestemd is voor de aanschaf van duurzame productiemiddelen..