1. De bijdrage wordt vermeerderd met 6% van het deel van de bijdrage dat door de concessieverlener voor het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft, is toegekend aan een concessiehouder indien voldaan is aan de in het vierde lid opgenomen vereisten.
2. De bijdrage wordt vermeerderd met 6% van het deel van de bijdrage dat door de concessieverlener in het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft, is besteed aan een persoon waarmee de concessieverlener een overeenkomst heeft gesloten voor het verrichten van personenvervoer per auto als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van het besluit, indien voldaan is aan de in het vijfde lid opgenomen vereisten.
3. De bijdrage wordt vermeerderd met 6% van het deel van de bijdrage dat door de concessieverlener in het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft, is besteed aan een persoon waarmee de concessieverlener een overeenkomst heeft gesloten voor het verrichten van personenvervoer per passagiersschip als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van het besluit, indien voldaan is aan de in het vijfde lid opgenomen vereisten.
4. De vereisten, bedoeld in het eerste lid zijn dat:
a. de inspecteur van de rijksbelastingdienst, die bevoegd is voor de heffing van de omzetbelasting ten aanzien van de concessiehouder, heeft besloten dat over de op basis van de concessie te ontvangen subsidie, omzetbelasting verschuldigd is; en
b. de inspecteur, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, heeft besloten dat de concessieverlener voor de omzetbelasting, in onderdeel a, geen recht heeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds.
5. De vereisten, bedoeld in het tweede en derde lid zijn dat:
a. de inspecteur van de rijksbelastingdienst, die bevoegd is voor de heffing van de omzetbelasting ten aanzien van de persoon, bedoeld in het tweede lid en derde lid, heeft besloten dat over het op basis van de overeenkomst met de concessieverlener te ontvangen bedrag omzetbelasting is verschuldigd; en
b. de inspecteur, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, heeft besloten dat de concessieverlener voor de omzetbelasting, bedoeld in onderdeel a, geen recht heeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds.
6. De toepassing van
artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, blijft ten aanzien van het eerste tot en met vijfde lid buiten aanmerking.