BWBR0012882
Geldig vanaf 2001-10-15
Artikel 3
Regeling onderhoud luchtvaartuigen
1. De houder van een luchtvaartuig heeft de mogelijkheid om een alternatief onderhoudsprogramma op te stellen dat afwijkt van artikel 2, derde en vierde lid, voor vliegtuigen met een maximaal toegelaten startmassa van 5700 kg of minder, helikopters met een maximaal toegelaten startmassa van 2730 kg of minder, ballonnen en zweefvliegtuigen, tenzij daarmee vluchten worden uitgevoerd onder een ontheffing van artikel 16 van de Luchtvaartwetvoor het vervoer ten behoeve van eigen bedrijf.
2. De volgens het eerste lid toegestane afwijkingen mogen uitsluitend bestaan uit:
a. het overschrijden van een door de houder van het goedgekeurde ontwerp aanbevolen revisie-interval of bedrijfslimiet, indien: 1º . de conditie van het onderdeel periodiek wordt bepaald;
2º . tijdens de conditiebepaling wordt vastgesteld dat het onderdeel tot de volgende conditiebepaling betrouwbaar is;
3º . de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma zijn opgenomen;
4º . een advies van een onderhoudstechnicus, of een erkend onderhoudsbedrijf ten aanzien van de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma is opgenomen, en
5º . een lijst met onderdelen en componenten waarvoor deze afwijking is toegepast in het journaal is opgenomen, of
1º . de conditie van het onderdeel periodiek wordt bepaald;
2º . tijdens de conditiebepaling wordt vastgesteld dat het onderdeel tot de volgende conditiebepaling betrouwbaar is;
3º . de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma zijn opgenomen;
4º . een advies van een onderhoudstechnicus, of een erkend onderhoudsbedrijf ten aanzien van de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma is opgenomen, en
5º . een lijst met onderdelen en componenten waarvoor deze afwijking is toegepast in het journaal is opgenomen,
b. het niet opnemen van aanvullende onderhoudsinformatie van de houder van het goedgekeurde ontwerp die een periodieke inspectie of test aanbeveelt, zolang deze niet als verplicht door de houder van het goedgekeurde ontwerp wordt aangemerkt, dan wel als spoedinformatie wordt uitgegeven.
2. De volgens het eerste lid toegestane afwijkingen mogen uitsluitend bestaan uit:
a. het overschrijden van een door de houder van het goedgekeurde ontwerp aanbevolen revisie-interval of bedrijfslimiet, indien: 1º . de conditie van het onderdeel periodiek wordt bepaald;
2º . tijdens de conditiebepaling wordt vastgesteld dat het onderdeel tot de volgende conditiebepaling betrouwbaar is;
3º . de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma zijn opgenomen;
4º . een advies van een onderhoudstechnicus, of een erkend onderhoudsbedrijf ten aanzien van de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma is opgenomen, en
5º . een lijst met onderdelen en componenten waarvoor deze afwijking is toegepast in het journaal is opgenomen, of
1º . de conditie van het onderdeel periodiek wordt bepaald;
2º . tijdens de conditiebepaling wordt vastgesteld dat het onderdeel tot de volgende conditiebepaling betrouwbaar is;
3º . de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma zijn opgenomen;
4º . een advies van een onderhoudstechnicus, of een erkend onderhoudsbedrijf ten aanzien van de periode en de methode van de conditiebepaling in het onderhoudsprogramma is opgenomen, en
5º . een lijst met onderdelen en componenten waarvoor deze afwijking is toegepast in het journaal is opgenomen,
b. het niet opnemen van aanvullende onderhoudsinformatie van de houder van het goedgekeurde ontwerp die een periodieke inspectie of test aanbeveelt, zolang deze niet als verplicht door de houder van het goedgekeurde ontwerp wordt aangemerkt, dan wel als spoedinformatie wordt uitgegeven.