BWBR0012882
Geldig vanaf 2001-10-15
Artikel 2
Regeling onderhoud luchtvaartuigen
1. De houder van een luchtvaartuig is er voor verantwoordelijk dat een bij dat luchtvaartuig behorend onderhoudsprogramma wordt opgesteld, bijgehouden en bij uitvoering van onderhoud wordt gebruikt tenzij deze verantwoordelijkheid door middel van een schriftelijk contract is overdragen aan een gecontracteerde onderhoudsmanagementorganisatie.
2. Een onderhoudsprogramma omvat ten minste de volgende aspecten: inspectieperiodes, inspectiestaten, bedrijfsgegevens, de van toepassing zijnde aanwijzingen van de minister en aanvullende onderhoudsinformatie.
3. Onderhoudsprogramma's worden opgesteld en bijgehouden volgens de meest recente aanbevelingen van de houder van het goedgekeurde ontwerp van het luchtvaartuig.
4. Wanneer door de houder van het goedgekeurde ontwerp van het luchtvaartuig geen aanbevelingen terzake worden gedaan, als gevolg van de inbouw van een andere motor, propeller, onderdeel of uitrustingsstuk, worden de meest recente aanbevelingen van de houder van het goedgekeurde ontwerp van respectievelijk de motor, propeller, onderdeel of uitrustingsstuk in het onderhoudsprogramma opgenomen.
5. Wijzigingen in de aanbevelingen als bedoeld in het derde en vierde lid worden tijdig, doch uiterlijk binnen 6 maanden na uitgiftedatum in het onderhoudsprogramma verwerkt.
6. Aanvullend onderhoud, dat door de minister is aangewezen bij de certificatie die in Nederland van toepassing is, wordt opgenomen in het onderhoudsprogramma.
7. Aanwijzingen van de minister in de vorm van onderhoudsaanwijzingen en bijzondere luchtwaardigheidsaanwijzingen worden tijdig verwerkt in het onderhoudsprogramma.
8. Aanvullende onderhoudsinformatie van de houder van het goedgekeurde ontwerp, die periodiek onderhoud aanbeveelt, wordt in het onderhoudsprogramma verwerkt.
9. Indien aanvullende onderhoudsinformatie van de houder van het goedgekeurde ontwerp afwijkt van een aanwijzing van de minister, prevaleert de aanwijzing van de minister.
10. Voor luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1b, onderdeel c, is het aanvullend onderhoud als bedoeld in het zesde lid te onderscheiden ten opzichte van het onderhoudsprogramma.
2. Een onderhoudsprogramma omvat ten minste de volgende aspecten: inspectieperiodes, inspectiestaten, bedrijfsgegevens, de van toepassing zijnde aanwijzingen van de minister en aanvullende onderhoudsinformatie.
3. Onderhoudsprogramma's worden opgesteld en bijgehouden volgens de meest recente aanbevelingen van de houder van het goedgekeurde ontwerp van het luchtvaartuig.
4. Wanneer door de houder van het goedgekeurde ontwerp van het luchtvaartuig geen aanbevelingen terzake worden gedaan, als gevolg van de inbouw van een andere motor, propeller, onderdeel of uitrustingsstuk, worden de meest recente aanbevelingen van de houder van het goedgekeurde ontwerp van respectievelijk de motor, propeller, onderdeel of uitrustingsstuk in het onderhoudsprogramma opgenomen.
5. Wijzigingen in de aanbevelingen als bedoeld in het derde en vierde lid worden tijdig, doch uiterlijk binnen 6 maanden na uitgiftedatum in het onderhoudsprogramma verwerkt.
6. Aanvullend onderhoud, dat door de minister is aangewezen bij de certificatie die in Nederland van toepassing is, wordt opgenomen in het onderhoudsprogramma.
7. Aanwijzingen van de minister in de vorm van onderhoudsaanwijzingen en bijzondere luchtwaardigheidsaanwijzingen worden tijdig verwerkt in het onderhoudsprogramma.
8. Aanvullende onderhoudsinformatie van de houder van het goedgekeurde ontwerp, die periodiek onderhoud aanbeveelt, wordt in het onderhoudsprogramma verwerkt.
9. Indien aanvullende onderhoudsinformatie van de houder van het goedgekeurde ontwerp afwijkt van een aanwijzing van de minister, prevaleert de aanwijzing van de minister.
10. Voor luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1b, onderdeel c, is het aanvullend onderhoud als bedoeld in het zesde lid te onderscheiden ten opzichte van het onderhoudsprogramma.