BWBR0012744
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 6
Regeling strafonderbreking jeugdigen
1. Bij de beoordeling van de toekenning van het verzoek tot strafonderbreking wordt het belang van de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuïteit van de tenuitvoerlegging en voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Het verzoek tot strafonderbreking kan slechts worden verleend indien de eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.
2. Als risico's kunnen worden aangemerkt:
a. het gevaar voor niet terugkeren naar de inrichting;
b. weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter voorkoming van het niet terugkeren naar de inrichting;
c. gevaar voor recidive;
d. maatschappelijke onrust als gevolg van de strafonderbreking;
e. vermoeden dat de strafonderbreking zal leiden tot alcohol- of drugsmisbruik;
f. twijfel over het nakomen van afspraken;
g. agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor een ongestoord verloop van de strafonderbreking;
h. het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen;
i. risico van mogelijk ongewenste confrontatie van de jeugdige met een slachtoffer of met anderszins bij het delict betrokkene;
j. het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een wraakactie.
3. Bij de inschatting van het risico's betrekt de Minister van Veiligheid en Justitie in ieder geval:
a. de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of recidivegevaar;
b. relevante ervaringen bij eerder genoten verloven;
c. een recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.
2. Als risico's kunnen worden aangemerkt:
a. het gevaar voor niet terugkeren naar de inrichting;
b. weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter voorkoming van het niet terugkeren naar de inrichting;
c. gevaar voor recidive;
d. maatschappelijke onrust als gevolg van de strafonderbreking;
e. vermoeden dat de strafonderbreking zal leiden tot alcohol- of drugsmisbruik;
f. twijfel over het nakomen van afspraken;
g. agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor een ongestoord verloop van de strafonderbreking;
h. het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen;
i. risico van mogelijk ongewenste confrontatie van de jeugdige met een slachtoffer of met anderszins bij het delict betrokkene;
j. het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een wraakactie.
3. Bij de inschatting van het risico's betrekt de Minister van Veiligheid en Justitie in ieder geval:
a. de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of recidivegevaar;
b. relevante ervaringen bij eerder genoten verloven;
c. een recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.