BWBR0012741
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 12
Regeling plaatsing en overplaatsing jeugdigen
1. Indien overbrenging naar een algemeen ziekenhuis dan wel een andere instelling als bedoeld in artikel 47, vierde lid, onder c, van de wetmedisch geïndiceerd is, gaat de directeur tot overbrenging over. In bijzondere gevallen, waaronder het risico van onttrekking door de jeugdige aan het toezicht en de veiligheid voor anderen onvoldoende gewaarborgd wordt, kan de jeugdige worden overgebracht naar het Penitentiair Ziekenhuis, bedoeld in artikel 32 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden.
2. Indien de overbrenging een voorlopig gehechte jeugdige betreft, dan wel bij het vonnis een executie-indicator is gegeven, vraagt de directeur toestemming aan het openbaar ministerie. Indien de overbrenging een jeugdige betreft die met toepassing van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwetin een inrichting is geplaatst, overlegt de directeur met de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
3. Indien het verblijf in een ziekenhuis dan wel een andere instelling zonder toezicht, gelet op het risico van onttrekking aan het toezicht door de jeugdige, onverantwoord is, treft de directeur maatregelen welke noodzakelijk zijn voor de bewaking van de jeugdige. De directeur maakt hierover in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken over met de directie van het ziekenhuis.
4. De inrichting van herkomst volgt gedurende het verblijf in het ziekenhuis dan wel een andere instelling het behandelingsverloop en treedt als aanspreekpunt op bij eventuele bijzonderheden en incidenten.
5. Indien spoedeisende medische zorg geboden is, kan afgeweken worden van de in dit artikel gestelde procedure. De directeur vraagt in dat geval achteraf toestemming aan het openbaar ministerie of overlegt met de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
6. De directeur meldt de plaatsing in het ziekenhuis dan wel in een andere instelling en de beëindiging van die plaatsing aan de selectiefunctionaris. De beëindiging van de plaatsing wordt tevens gemeld aan de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
2. Indien de overbrenging een voorlopig gehechte jeugdige betreft, dan wel bij het vonnis een executie-indicator is gegeven, vraagt de directeur toestemming aan het openbaar ministerie. Indien de overbrenging een jeugdige betreft die met toepassing van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwetin een inrichting is geplaatst, overlegt de directeur met de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
3. Indien het verblijf in een ziekenhuis dan wel een andere instelling zonder toezicht, gelet op het risico van onttrekking aan het toezicht door de jeugdige, onverantwoord is, treft de directeur maatregelen welke noodzakelijk zijn voor de bewaking van de jeugdige. De directeur maakt hierover in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken over met de directie van het ziekenhuis.
4. De inrichting van herkomst volgt gedurende het verblijf in het ziekenhuis dan wel een andere instelling het behandelingsverloop en treedt als aanspreekpunt op bij eventuele bijzonderheden en incidenten.
5. Indien spoedeisende medische zorg geboden is, kan afgeweken worden van de in dit artikel gestelde procedure. De directeur vraagt in dat geval achteraf toestemming aan het openbaar ministerie of overlegt met de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
6. De directeur meldt de plaatsing in het ziekenhuis dan wel in een andere instelling en de beëindiging van die plaatsing aan de selectiefunctionaris. De beëindiging van de plaatsing wordt tevens gemeld aan de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.