BWBR0012670
Geldig vanaf 2001-07-12
Artikel 5
Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw
1. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend aangemerkt:
a. opleidings- en trainingskosten van de met de uitvoering van het project belaste personen;
b. kosten van leveringen en diensten door derden;
c. kosten voor het verstrekken van informatie en het verzorgen van publiciteit;
d. kosten van huur of lease van voor het project noodzakelijke bedrijfsmiddelen;
e. loonkosten, voorzover deze kosten betrekking hebben op personeel dat ten behoeve van het project is ingezet, alsmede kosten van eigen arbeid van de aanvrager in het kader van het project te waarderen tegen € 18,15 per uur;
f. uitvoeringskosten, zoals reiskosten en de kosten van de huur van vergaderzalen.
2. De kosten bedoeld in het eerste lid worden, indien van toepassing berekend, exclusief ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968verschuldigde omzetbelasting, tenzij op het moment van indiening van de aanvraag wordt aangetoond dat deze niet in aftrek kan worden gebracht;
3. Als niet-subsidiabele kosten worden aangemerkt:
a. overheadkosten;
b. de investeringskosten in bedrijfsmiddelen;
c. de kosten die betrekking hebben op het kunnen indienen van een voldoende gespecificeerde aanvraag;
d. ten behoeve van de financiering van het project te betalen rente en kosten;
e. de kosten van een accountantsverklaring.
4. Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien aangetoond wordt dat de beschikking over deze bedrijfsmiddelen niet op andere wijze kan worden verkregen, in welk geval slechts het bij de aanvraag tot subsidievaststelling aangegeven verschil tussen de aankoopprijs en de getaxeerde verkoopprijs, zoals deze is vastgesteld voor de datum waarop de uitvoering van het project is voltooid, voor een subsidie in aanmerking komt. Indien de gerealiseerde verkoopprijs hoger is dan de getaxeerde verkoopprijs, wordt bij de subsidievaststelling de gerealiseerde verkoopprijs gehanteerd.
a. opleidings- en trainingskosten van de met de uitvoering van het project belaste personen;
b. kosten van leveringen en diensten door derden;
c. kosten voor het verstrekken van informatie en het verzorgen van publiciteit;
d. kosten van huur of lease van voor het project noodzakelijke bedrijfsmiddelen;
e. loonkosten, voorzover deze kosten betrekking hebben op personeel dat ten behoeve van het project is ingezet, alsmede kosten van eigen arbeid van de aanvrager in het kader van het project te waarderen tegen € 18,15 per uur;
f. uitvoeringskosten, zoals reiskosten en de kosten van de huur van vergaderzalen.
2. De kosten bedoeld in het eerste lid worden, indien van toepassing berekend, exclusief ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968verschuldigde omzetbelasting, tenzij op het moment van indiening van de aanvraag wordt aangetoond dat deze niet in aftrek kan worden gebracht;
3. Als niet-subsidiabele kosten worden aangemerkt:
a. overheadkosten;
b. de investeringskosten in bedrijfsmiddelen;
c. de kosten die betrekking hebben op het kunnen indienen van een voldoende gespecificeerde aanvraag;
d. ten behoeve van de financiering van het project te betalen rente en kosten;
e. de kosten van een accountantsverklaring.
4. Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien aangetoond wordt dat de beschikking over deze bedrijfsmiddelen niet op andere wijze kan worden verkregen, in welk geval slechts het bij de aanvraag tot subsidievaststelling aangegeven verschil tussen de aankoopprijs en de getaxeerde verkoopprijs, zoals deze is vastgesteld voor de datum waarop de uitvoering van het project is voltooid, voor een subsidie in aanmerking komt. Indien de gerealiseerde verkoopprijs hoger is dan de getaxeerde verkoopprijs, wordt bij de subsidievaststelling de gerealiseerde verkoopprijs gehanteerd.