BWBR0012670
Geldig vanaf 2001-07-12
Artikel 13
Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw
1. De subsidieontvanger voert het project uit:
a. overeenkomstig het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft, behoudens goedgekeurde wijzigingen van het project als bedoeld in het tweede lid,
b. in Nederland, behoudens toestemming van de minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland en
c. binnen de in artikel 3, tweede lid onderdeel f, bedoelde uitvoeringstermijn, met dien verstande dat met de uitvoering van het project uiterlijk zes maanden na de beschikking tot subsidieverlening moet zijn begonnen.
2. Wijzigingen in het projectplan gedurende de looptijd van het project zijn toegestaan mits:
a. deze geen wijzigingen ten aanzien van de doelstelling van het project betreffen en
b. deze vooraf zijn gemeld aan Dienst Regelingen en zijn goedgekeurd door de minister.
3. Indien de projectduur langer dan één jaar is, rapporteert de subsidieontvanger steeds nadat een jaar van de projectduur is verstreken binnen 3 maanden in de vorm van een tussenverslag omtrent de voortgang van het project op een door de minister te bepalen wijze. Dit verslag bestaat ten minste uit een beschrijving van:
a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project zijn verricht en
b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen.
4. Na afloop van de projectduur rapporteert de subsidieontvanger in de vorm van een evaluatieverslag over het project. Dit verslag bestaat ten minste uit een beschrijving van:
a. de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht,
b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen,
c. de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan en
d. de wijze waarop deze kennis en informatie openbaar is of zal worden gemaakt.
5. De subsidieontvanger is verplicht de kennis en informatie die met het project wordt opgedaan, onmiddellijk na afloop van het project openbaar te maken. Aan de beschikking tot subsidieverlening kan de minister voorschriften verbinden omtrent de wijze waarop deze openbaarmaking dient te geschieden.
6. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 5, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten en de kosten voor eigen arbeid een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording aanwezig is.
7. De minister kan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
a. overeenkomstig het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft, behoudens goedgekeurde wijzigingen van het project als bedoeld in het tweede lid,
b. in Nederland, behoudens toestemming van de minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland en
c. binnen de in artikel 3, tweede lid onderdeel f, bedoelde uitvoeringstermijn, met dien verstande dat met de uitvoering van het project uiterlijk zes maanden na de beschikking tot subsidieverlening moet zijn begonnen.
2. Wijzigingen in het projectplan gedurende de looptijd van het project zijn toegestaan mits:
a. deze geen wijzigingen ten aanzien van de doelstelling van het project betreffen en
b. deze vooraf zijn gemeld aan Dienst Regelingen en zijn goedgekeurd door de minister.
3. Indien de projectduur langer dan één jaar is, rapporteert de subsidieontvanger steeds nadat een jaar van de projectduur is verstreken binnen 3 maanden in de vorm van een tussenverslag omtrent de voortgang van het project op een door de minister te bepalen wijze. Dit verslag bestaat ten minste uit een beschrijving van:
a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project zijn verricht en
b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen.
4. Na afloop van de projectduur rapporteert de subsidieontvanger in de vorm van een evaluatieverslag over het project. Dit verslag bestaat ten minste uit een beschrijving van:
a. de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht,
b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen,
c. de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan en
d. de wijze waarop deze kennis en informatie openbaar is of zal worden gemaakt.
5. De subsidieontvanger is verplicht de kennis en informatie die met het project wordt opgedaan, onmiddellijk na afloop van het project openbaar te maken. Aan de beschikking tot subsidieverlening kan de minister voorschriften verbinden omtrent de wijze waarop deze openbaarmaking dient te geschieden.
6. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 5, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten en de kosten voor eigen arbeid een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording aanwezig is.
7. De minister kan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.