BWBR0012614
Geldig vanaf 2001-07-01
Artikel 2
Regeling vaccinatie Newcastle disease
1. De ondernemer vaccineert de op zijn pluimveebedrijf aanwezige dieren ten genoegen van de Minister onder verantwoordelijkheid van een dierenarts overeenkomstig een van de in bijlage Ibedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften tegen NCD.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op dieren die voorafgaand aan de aanvoer op het pluimveebedrijf van de ondernemer overeenkomstig het eerste lid zijn gevaccineerd en waarvan de ondernemer ten genoegen van de Minister aantoont dat ze aan de in het vierde lid bedoelde waarde voldoen, en op eendagskuikens waarvan de ouderdieren aan deze waarde voldoen.
3. De ondernemer laat van de dieren van zijn pluimveebedrijf bloed afnemen en laat dit, met gebruikmaking van een ingevuld en ondertekend formulier overeenkomstig het in bijlage IVbedoelde model, ten genoegen van de Minister en bij een door de Minister aangewezen laboratorium onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen NCD, overeenkomstig de in bijlage IIbedoelde voorschriften en overeenkomstig de in bijlage 3, hoofdstuk 5, van richtlijn 92/66/EEGbedoelde methode.
4. Bij koppels, niet zijnde koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen, voldoet vanaf een leeftijd van 28 dagen ten minste één van de dertig onderzochte monsters en vanaf een leeftijd van 70 dagen ten minste 90% van het aantal onderzochte monsters aan de waarde gemeten in de haemagglutinatie-inhibitie-test van 1:8.
5. Bij koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen voldoet vanaf een leeftijd van 28 dagen ten minste één van de dertig onderzochte monsters aan de waarde gemeten in de haemagglutinatie-inhibitie-test van 1:8.
6. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek blijkt dat de immuniteit van de desbetreffende dieren, niet zijnde koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen, niet voldoet aan de in het vierde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer terstond voor het door een dierenarts vaccineren van de dieren overeenkomstig een van de in bijlage Ibedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften en laat de ondernemer de dieren uiterlijk twee weken na het vaccineren opnieuw onderzoeken overeenkomstig het derde lid.
7. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek van vleeskuikens en vleeskalkoenen blijkt dat de immuniteit van de desbetreffende dieren niet voldoet aan de in het vijfde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer voor het vaccineren van het eerstvolgende koppel door een dierenarts overeenkomstig een van de in bijlage Ibedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften.
8. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek blijkt dat de immuniteit van het in het zevende lid bedoelde eerstvolgende koppel niet voldoet aan de in het vijfde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer gedurende één jaar voor het vaccineren van alle koppels vleeskuikens of vleeskalkoenen die op zijn bedrijf worden gehouden door een dierenarts overeenkomstig de in bijlage Vbedoelde voorschriften.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op dieren die voorafgaand aan de aanvoer op het pluimveebedrijf van de ondernemer overeenkomstig het eerste lid zijn gevaccineerd en waarvan de ondernemer ten genoegen van de Minister aantoont dat ze aan de in het vierde lid bedoelde waarde voldoen, en op eendagskuikens waarvan de ouderdieren aan deze waarde voldoen.
3. De ondernemer laat van de dieren van zijn pluimveebedrijf bloed afnemen en laat dit, met gebruikmaking van een ingevuld en ondertekend formulier overeenkomstig het in bijlage IVbedoelde model, ten genoegen van de Minister en bij een door de Minister aangewezen laboratorium onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen NCD, overeenkomstig de in bijlage IIbedoelde voorschriften en overeenkomstig de in bijlage 3, hoofdstuk 5, van richtlijn 92/66/EEGbedoelde methode.
4. Bij koppels, niet zijnde koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen, voldoet vanaf een leeftijd van 28 dagen ten minste één van de dertig onderzochte monsters en vanaf een leeftijd van 70 dagen ten minste 90% van het aantal onderzochte monsters aan de waarde gemeten in de haemagglutinatie-inhibitie-test van 1:8.
5. Bij koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen voldoet vanaf een leeftijd van 28 dagen ten minste één van de dertig onderzochte monsters aan de waarde gemeten in de haemagglutinatie-inhibitie-test van 1:8.
6. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek blijkt dat de immuniteit van de desbetreffende dieren, niet zijnde koppels vleeskuikens en koppels vleeskalkoenen, niet voldoet aan de in het vierde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer terstond voor het door een dierenarts vaccineren van de dieren overeenkomstig een van de in bijlage Ibedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften en laat de ondernemer de dieren uiterlijk twee weken na het vaccineren opnieuw onderzoeken overeenkomstig het derde lid.
7. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek van vleeskuikens en vleeskalkoenen blijkt dat de immuniteit van de desbetreffende dieren niet voldoet aan de in het vijfde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer voor het vaccineren van het eerstvolgende koppel door een dierenarts overeenkomstig een van de in bijlage Ibedoelde methoden en overeenkomstig de in die bijlage bedoelde voorschriften.
8. Indien uit het in het derde lid bedoelde onderzoek blijkt dat de immuniteit van het in het zevende lid bedoelde eerstvolgende koppel niet voldoet aan de in het vijfde lid bedoelde waarde zorgt de ondernemer gedurende één jaar voor het vaccineren van alle koppels vleeskuikens of vleeskalkoenen die op zijn bedrijf worden gehouden door een dierenarts overeenkomstig de in bijlage Vbedoelde voorschriften.