BWBR0012373
Geldig vanaf 2001-04-01
Artikel 11
Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001
1. Een product wordt slechts tot de wettelijke voorraad gerekend, indien het op elk moment dat de voorraadplichtige daarom verzoekt, daadwerkelijk te zijner beschikking staat.
2. Als de voorraadplichtige niet enig rechthebbende is op het product, wordt het slechts tot de wettelijke voorraad gerekend indien hij ten aanzien daarvan een beschikkingsrecht heeft:
a. dat is ingegaan per de eerste van een kalendermaand, en
b. een geldingsduur heeft van ten minste een maand.
3. Onze Minister kan bepalen dat de voorraadplichtige enig rechthebbende dient te zijn op ten minste een door de Minister te bepalen gedeelte van de wettelijke voorraad:
a. ingeval de voorraadplichtige COVA is: indien Onze Minister dat noodzakelijk acht uit oogpunt van zekerheid van voorziening van aardolieproducten;
b. ingeval de voorraadplichtige niet COVA is: indien is gebleken dat in het verleden door deze voorraadplichtige of ten opzichte van deze voorraadplichtige, niet werd voldaan aan het eerste lid.
2. Als de voorraadplichtige niet enig rechthebbende is op het product, wordt het slechts tot de wettelijke voorraad gerekend indien hij ten aanzien daarvan een beschikkingsrecht heeft:
a. dat is ingegaan per de eerste van een kalendermaand, en
b. een geldingsduur heeft van ten minste een maand.
3. Onze Minister kan bepalen dat de voorraadplichtige enig rechthebbende dient te zijn op ten minste een door de Minister te bepalen gedeelte van de wettelijke voorraad:
a. ingeval de voorraadplichtige COVA is: indien Onze Minister dat noodzakelijk acht uit oogpunt van zekerheid van voorziening van aardolieproducten;
b. ingeval de voorraadplichtige niet COVA is: indien is gebleken dat in het verleden door deze voorraadplichtige of ten opzichte van deze voorraadplichtige, niet werd voldaan aan het eerste lid.