BWBR0012337
Geldig vanaf 2001-04-01
Artikel 4
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer
1. Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de installatie waarin twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van bijlage IIaoverschrijden, voldoet:
a. ten aanzien van de stoffen, genoemd in het tweede tot en met het vierde lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan de in die leden vermelde eisen, en
b. ten aanzien van de andere stoffen: 1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 3, eerste lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 3, eerste lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
2. Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, voor zover mogelijk en rekening houdend met door de Europese Commissie krachtens artikel 7, eerste lid, van de richtlijn gepubliceerde richtsnoeren met betrekking tot het gebruik van vluchtige organische stoffen en mogelijke vervangingsproducten daarvoor, binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door minder schadelijke stoffen of preparaten.
3. Voor de uitstoot van de VOS, bedoeld in het tweede lid, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat lid bedoelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm 3in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
4. Voor de uitstoot van gehalogeneerde VOS, waaraan de risicozinnen R40 en R68 zijn toegekend, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de vermelding van R40 en R68 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm 3in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
5. De uitstoot van VOS, bedoeld in het tweede of vierde lid, wordt beheerst afgevangen en uitgestoten, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, om de volksgezondheid en het milieu te beschermen.
6. Bij uitstoot van VOS waaraan na de inwerkingtreding van dit besluit een van de risicozinnen, genoemd in het tweede of vierde lid, wordt toegekend of die van deze zinnen behoren te zijn voorzien, worden de emissiegrenswaarden, genoemd in onderscheidenlijk het derde en vierde lid, zo snel mogelijk in acht genomen.
a. ten aanzien van de stoffen, genoemd in het tweede tot en met het vierde lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan de in die leden vermelde eisen, en
b. ten aanzien van de andere stoffen: 1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 3, eerste lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 3, eerste lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
2. Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, voor zover mogelijk en rekening houdend met door de Europese Commissie krachtens artikel 7, eerste lid, van de richtlijn gepubliceerde richtsnoeren met betrekking tot het gebruik van vluchtige organische stoffen en mogelijke vervangingsproducten daarvoor, binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door minder schadelijke stoffen of preparaten.
3. Voor de uitstoot van de VOS, bedoeld in het tweede lid, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat lid bedoelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm 3in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
4. Voor de uitstoot van gehalogeneerde VOS, waaraan de risicozinnen R40 en R68 zijn toegekend, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de vermelding van R40 en R68 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm 3in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
5. De uitstoot van VOS, bedoeld in het tweede of vierde lid, wordt beheerst afgevangen en uitgestoten, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, om de volksgezondheid en het milieu te beschermen.
6. Bij uitstoot van VOS waaraan na de inwerkingtreding van dit besluit een van de risicozinnen, genoemd in het tweede of vierde lid, wordt toegekend of die van deze zinnen behoren te zijn voorzien, worden de emissiegrenswaarden, genoemd in onderscheidenlijk het derde en vierde lid, zo snel mogelijk in acht genomen.