BWBR0012337
Geldig vanaf 2001-04-01
Artikel 3
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer
1. Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de installatie die zich in die inrichting bevindt, ten minste voldoet aan:
a. de in bijlage IIa bepaalde emissiegrenswaarden voor afgassen en diffuse-emissiegrenswaarden of aan de totale emissiegrenswaarden en overige voorschriften, of
b. aan de eisen van het in bijlage IIb beschreven reductieprogramma.
2. Voor diffuse emissies gelden diffuse-emissiegrenswaarden voor installaties als emissiegrenswaarde.
3. Indien degene die een inrichting drijft, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de grenswaarde, bedoeld in het tweede lid, technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie een afwijkende grenswaarde vaststellen, mits er geen aanmerkelijke gevaren voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en er ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.
4. Voor activiteiten waarbij de vrijkomende VOS niet beheerst kan worden afgevangen en uitgestoten, kan worden afgeweken van de emissiegrenswaarden van bijlage IIa, voor zover deze mogelijkheid uitdrukkelijk in die bijlage is genoemd. In dat geval wordt het reductieprogramma van bijlage IIbgevolgd.
5. Indien degene die een inrichting drijft, in een geval als bedoeld in het vierde lid, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat het volgen van het reductieprogramma technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie afwijken van het reductieprogramma. In dat geval wordt ten genoegen van het bevoegd gezag aangetoond dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.
6. Voor een installatie die het reductieprogramma niet volgt, voldoet alle emissieverminderende apparatuur die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt aangebracht, aan bijlage IIa.
a. de in bijlage IIa bepaalde emissiegrenswaarden voor afgassen en diffuse-emissiegrenswaarden of aan de totale emissiegrenswaarden en overige voorschriften, of
b. aan de eisen van het in bijlage IIb beschreven reductieprogramma.
2. Voor diffuse emissies gelden diffuse-emissiegrenswaarden voor installaties als emissiegrenswaarde.
3. Indien degene die een inrichting drijft, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de grenswaarde, bedoeld in het tweede lid, technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie een afwijkende grenswaarde vaststellen, mits er geen aanmerkelijke gevaren voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en er ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.
4. Voor activiteiten waarbij de vrijkomende VOS niet beheerst kan worden afgevangen en uitgestoten, kan worden afgeweken van de emissiegrenswaarden van bijlage IIa, voor zover deze mogelijkheid uitdrukkelijk in die bijlage is genoemd. In dat geval wordt het reductieprogramma van bijlage IIbgevolgd.
5. Indien degene die een inrichting drijft, in een geval als bedoeld in het vierde lid, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat het volgen van het reductieprogramma technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie afwijken van het reductieprogramma. In dat geval wordt ten genoegen van het bevoegd gezag aangetoond dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.
6. Voor een installatie die het reductieprogramma niet volgt, voldoet alle emissieverminderende apparatuur die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt aangebracht, aan bijlage IIa.