BWBR0012337
Geldig vanaf 2001-04-01
Artikel 10
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer
1. Degene die een inrichting drijft, is verplicht een afgaskanaal waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en dat aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kilogram organische koolstof per uur uitwerpt, doorlopend te controleren of aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan.
2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, is degene die een inrichting drijft, verplicht periodiek metingen uit te voeren, waarbij gedurende elke meting ten minste drie meetresultaten worden geregistreerd.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent het meten en de beoordeling van meetresultaten.
4. Metingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur niet noodzakelijk is om te voldoen aan dit besluit.
5. Bij doorlopende metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien:
a. geen van de gemiddelden onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
6. Bij periodieke metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien bij die meting:
a. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
7. Of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4, derde of vierde lid, wordt voldaan, wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken VOS. In alle andere gevallen wordt, indien in bijlage IIaniet anders is bepaald, gecontroleerd op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten.
8. Het eerste tot en met het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een bestaande installatie met ingang van de dag waarop die installatie voldoet aan de artikelen 3en 4, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.
2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, is degene die een inrichting drijft, verplicht periodiek metingen uit te voeren, waarbij gedurende elke meting ten minste drie meetresultaten worden geregistreerd.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent het meten en de beoordeling van meetresultaten.
4. Metingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur niet noodzakelijk is om te voldoen aan dit besluit.
5. Bij doorlopende metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien:
a. geen van de gemiddelden onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
6. Bij periodieke metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien bij die meting:
a. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
7. Of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4, derde of vierde lid, wordt voldaan, wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken VOS. In alle andere gevallen wordt, indien in bijlage IIaniet anders is bepaald, gecontroleerd op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten.
8. Het eerste tot en met het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een bestaande installatie met ingang van de dag waarop die installatie voldoet aan de artikelen 3en 4, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.