BWBR0012177
Geldig vanaf 2001-02-09
Artikel 9
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs
1. De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar en
a. 40 jaar oud is: 1 jaar
b. 41 jaar oud is: 1,5 jaar
c. 42 jaar oud is: 2 jaar
d. 43 jaar oud is: 2,5 jaar
e. 44 jaar of ouder is: 3 jaar
2. De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 7 jaar en
a. 45 jaar oud is: 3,5 jaar
b. 46 jaar oud is: 4 jaar
c. 47 jaar oud is: 4,5 jaar
d. 48 jaar oud is: 5 jaar
e. 49 jaar of ouder is: 5,5 jaar
3. De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en
a. 53 jaar of ouder is: tot de dag waarop hij 65 jaar wordt;
b. 52 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
c. 51 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
d. 50 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 63 jaar wordt.
4. Op de duur van de aansluitende uitkering is <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/43" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 43 WW</a>van overeenkomstige toepassing. Indien de aansluitende uitkering ingaat op de dag per welke een recht op ZW-uitkering eindigt, worden de eerste drie maanden van de ZW-uitkering, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/43" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 43, tweede en derde lid, WW</a>in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, voorzover zij niet reeds in mindering zijn gebracht op de duur van de loongerelateerde uitkering.
5. Indien de duur van de aanvulling op de loongerelateerde uitkering onder overeenkomstige toepassing van <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/76" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 76 WW</a>is verlengd, wordt de duur van deze verlenging in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
6. Indien de betrokkene bij het einde van zijn dienstbetrekking recht heeft op:
a. een uitkering op grond van de WIA of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag;
b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, onmiddellijk gevolgd door een uitkering op grond van de WIA of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZW- of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag;
c. een uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO, onmiddellijk gevolgd door een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, die weer onmiddellijk is gevolgd door een uitkering op grond van de WIA of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZWuitkering of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag.
7. De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een aansluitende uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering of een bovenwettelijke uitkering, heeft de aansluitende uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. Op de hoogte van de aansluitende uitkering is <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede en derde lid, WW</a>van overeenkomstige toepassing.
a. 40 jaar oud is: 1 jaar
b. 41 jaar oud is: 1,5 jaar
c. 42 jaar oud is: 2 jaar
d. 43 jaar oud is: 2,5 jaar
e. 44 jaar of ouder is: 3 jaar
2. De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 7 jaar en
a. 45 jaar oud is: 3,5 jaar
b. 46 jaar oud is: 4 jaar
c. 47 jaar oud is: 4,5 jaar
d. 48 jaar oud is: 5 jaar
e. 49 jaar of ouder is: 5,5 jaar
3. De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en
a. 53 jaar of ouder is: tot de dag waarop hij 65 jaar wordt;
b. 52 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
c. 51 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;
d. 50 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 63 jaar wordt.
4. Op de duur van de aansluitende uitkering is <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/43" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 43 WW</a>van overeenkomstige toepassing. Indien de aansluitende uitkering ingaat op de dag per welke een recht op ZW-uitkering eindigt, worden de eerste drie maanden van de ZW-uitkering, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/43" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 43, tweede en derde lid, WW</a>in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, voorzover zij niet reeds in mindering zijn gebracht op de duur van de loongerelateerde uitkering.
5. Indien de duur van de aanvulling op de loongerelateerde uitkering onder overeenkomstige toepassing van <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/76" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 76 WW</a>is verlengd, wordt de duur van deze verlenging in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
6. Indien de betrokkene bij het einde van zijn dienstbetrekking recht heeft op:
a. een uitkering op grond van de WIA of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag;
b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, onmiddellijk gevolgd door een uitkering op grond van de WIA of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZW- of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag;
c. een uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO, onmiddellijk gevolgd door een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, die weer onmiddellijk is gevolgd door een uitkering op grond van de WIA of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZWuitkering of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag.
7. De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een aansluitende uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering of een bovenwettelijke uitkering, heeft de aansluitende uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. Op de hoogte van de aansluitende uitkering is <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede en derde lid, WW</a>van overeenkomstige toepassing.