BWBR0012104
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 6
AFUP-garantieregeling
1. Deelnemer in de AFUP-garantieregeling is de werknemer voor zover hij:
a. op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een flo-gerechtigde functie vervulde;
b. op 1 januari 2001 jonger was dan 50 jaar; en
c. vanaf 1 januari 2001 ononderbroken werknemer is geweest.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de werknemer geacht deelnemer te zijn, indien aan hem voor of op 12 maart 1999 dan wel voor of op 31 december 2000 ontslag is verleend:
a. in verband met arbeidsongeschiktheid en hij uiterlijk op 31 december 2005 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft;
b. met recht op wachtgeld en hij uiterlijk op 30 juni 2002 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft;
c. in verband met zorgtaken en hij uiterlijk op 31 december 2004 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt niet als onderbreking aangemerkt:
a. een onderbreking van maximaal twee maanden;
b. een onderbreking van maximaal vijf jaren gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid en het tijdstip waarop de werknemer wederom de hoedanigheid van werknemer heeft verworven;
c. een onderbreking van maximaal 18 maanden gelegen tussen een tijdstip met ingang waarvan de werknemer - al dan niet na ontslag - recht op wachtgeld of een ontslaguitkering heeft verkregen en het tijdstip waarop die werknemer opnieuw de hoedanigheid van werknemer heeft verworven;
d. een onderbreking van maximaal vier jaar gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met zorgtaken en het tijdstip waarop de werknemer opnieuw de hoedanigheid van werknemer heeft verworven.
a. op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een flo-gerechtigde functie vervulde;
b. op 1 januari 2001 jonger was dan 50 jaar; en
c. vanaf 1 januari 2001 ononderbroken werknemer is geweest.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de werknemer geacht deelnemer te zijn, indien aan hem voor of op 12 maart 1999 dan wel voor of op 31 december 2000 ontslag is verleend:
a. in verband met arbeidsongeschiktheid en hij uiterlijk op 31 december 2005 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft;
b. met recht op wachtgeld en hij uiterlijk op 30 juni 2002 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft;
c. in verband met zorgtaken en hij uiterlijk op 31 december 2004 opnieuw de hoedanigheid van werknemer verwerft.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt niet als onderbreking aangemerkt:
a. een onderbreking van maximaal twee maanden;
b. een onderbreking van maximaal vijf jaren gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid en het tijdstip waarop de werknemer wederom de hoedanigheid van werknemer heeft verworven;
c. een onderbreking van maximaal 18 maanden gelegen tussen een tijdstip met ingang waarvan de werknemer - al dan niet na ontslag - recht op wachtgeld of een ontslaguitkering heeft verkregen en het tijdstip waarop die werknemer opnieuw de hoedanigheid van werknemer heeft verworven;
d. een onderbreking van maximaal vier jaar gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met zorgtaken en het tijdstip waarop de werknemer opnieuw de hoedanigheid van werknemer heeft verworven.