BWBR0012104
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 10
AFUP-garantieregeling
1. Onverminderd de artikelen 7en 8heeft de deelnemer die bij eerste indiensttreding in een flo-gerechtigde functie 35 jaar of ouder was, gedurende de leeftijd van 60 tot 65 jaar recht op een aanvulling op het AFUP-pensioen tot het niveau van 70 procent van de berekeningsgrondslag.
1. Onverminderd de artikelen 7en 8heeft de deelnemer die bij eerste indiensttreding in een flo-gerechtigde functie 35 jaar of ouder was, gedurende de periode van 60 tot 65 jaar recht op een aanvulling op het afup-pensioen tot een bepaald percentage van het gemiddelde inkomen over de gehele diensttijd. De jaren voor 1 januari 2004 tellen daarbij mee op basis van het inkomen op 1 januari 2004.
2. Het onder het in het eerste lid bedoelde percentage van het gemiddelde inkomen bedraagt
– 76 voor de deelnemer geboren na 31 december 1963;
– 72 voor de deelnemer geboren na 31 december 1953 en voor 1 januari 1964;
– 70 voor de deelnemer geboren voor 1 januari 1954.
3. De bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde aanvulling op het afup-pensioen gehanteerde inkomens (of de aanvulling op het afup-pensioen gehanteerde inkomens, bedoeld in het eerste lid, worden met overeenkomstige toepassing van artikel 12.1 van het Pensioenreglement aangepast.
4. Indien de deelnemer gedurende een termijn van tien jaren direct voorafgaande aan de vervroegde uittreding een deeltijdbetrekking heeft vervuld, wordt de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor over die termijn.
5. Bij een vervroegde uittreding voor het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de factor die in kolom 3 van de bij deze regeling behorende tabel Ib, is opgenomen achter het daarbij in de kolommen 1 en 2 genoemde tijdstip van vervroegde uittreding. Bij een uittreding na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de aanvulling niet aangepast.
6. In geval van vervroegde uittreding in deeltijd wordt de met toepassing van de voorgaande leden vastgestelde aanvulling vermenigvuldigd met een factor.
7. De factor, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan de verhouding tussen de mate van uittreden en de omvang van de betrekking waaruit de werknemer voor de eerste keer vervroegd is uitgetreden. Bij het bepalen van de factor, bedoeld in de vorige volzin, wordt een toename van de betrekkingsomvang na vervroegde uittreding buiten beschouwing gelaten.
1. Onverminderd de artikelen 7en 8heeft de deelnemer die bij eerste indiensttreding in een flo-gerechtigde functie 35 jaar of ouder was, gedurende de periode van 60 tot 65 jaar recht op een aanvulling op het afup-pensioen tot een bepaald percentage van het gemiddelde inkomen over de gehele diensttijd. De jaren voor 1 januari 2004 tellen daarbij mee op basis van het inkomen op 1 januari 2004.
2. Het onder het in het eerste lid bedoelde percentage van het gemiddelde inkomen bedraagt
– 76 voor de deelnemer geboren na 31 december 1963;
– 72 voor de deelnemer geboren na 31 december 1953 en voor 1 januari 1964;
– 70 voor de deelnemer geboren voor 1 januari 1954.
3. De bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde aanvulling op het afup-pensioen gehanteerde inkomens (of de aanvulling op het afup-pensioen gehanteerde inkomens, bedoeld in het eerste lid, worden met overeenkomstige toepassing van artikel 12.1 van het Pensioenreglement aangepast.
4. Indien de deelnemer gedurende een termijn van tien jaren direct voorafgaande aan de vervroegde uittreding een deeltijdbetrekking heeft vervuld, wordt de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor over die termijn.
5. Bij een vervroegde uittreding voor het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de factor die in kolom 3 van de bij deze regeling behorende tabel Ib, is opgenomen achter het daarbij in de kolommen 1 en 2 genoemde tijdstip van vervroegde uittreding. Bij een uittreding na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt de aanvulling niet aangepast.
6. In geval van vervroegde uittreding in deeltijd wordt de met toepassing van de voorgaande leden vastgestelde aanvulling vermenigvuldigd met een factor.
7. De factor, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan de verhouding tussen de mate van uittreden en de omvang van de betrekking waaruit de werknemer voor de eerste keer vervroegd is uitgetreden. Bij het bepalen van de factor, bedoeld in de vorige volzin, wordt een toename van de betrekkingsomvang na vervroegde uittreding buiten beschouwing gelaten.