BWBR0011899
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 3.6
Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand
1. De Commissie verklaart de melding niet ontvankelijk, indien:
a. geen sprake is van een misstand, waarover de Commissie adviseert, of
b. betrokkene niet aantoont dat hij het vermoeden eerst intern aan de orde heeft gesteld, zoals voorgeschreven in artikel 2.1, eerste lid, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1., zesde lid, of
c. indien betrokkene het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld, zoals voorgeschreven in artikel 2.1., eerste lid, maar nog niet een redelijke termijn is verstreken na de interne melding.
2. Een redelijke termijn, als bedoeld in het eerste lid, onder c, is verstreken indien:
a. vanaf het moment van de interne melding binnen een periode van acht weken niet een standpunt van het bevoegd gezag aan betrokkene die een vermoeden van een misstand heeft vermeld, is uitgereikt, tenzij door het bevoegd gezag aan betrokkene wordt medegedeeld dat hij niet binnen een periode van acht weken een standpunt van het bevoegd gezag kan verwachten;
b. door het bevoegd gezag geen termijn is gesteld, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid;
c. de door het bevoegd gezag gestelde termijn, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid, is verstreken zonder dat een standpunt van het bevoegd gezag aan betrokkene is medegedeeld, of
d. de door het bevoegd gezag gestelde termijn, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid, gelet op alle omstandigheden niet redelijk is.
3. De Commissie brengt gemotiveerd het bevoegd gezag en betrokkene die een vermoeden van een misstand bij de Commissie heeft gemeld, op de hoogte of de melding niet ontvankelijk is.
a. geen sprake is van een misstand, waarover de Commissie adviseert, of
b. betrokkene niet aantoont dat hij het vermoeden eerst intern aan de orde heeft gesteld, zoals voorgeschreven in artikel 2.1, eerste lid, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1., zesde lid, of
c. indien betrokkene het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld, zoals voorgeschreven in artikel 2.1., eerste lid, maar nog niet een redelijke termijn is verstreken na de interne melding.
2. Een redelijke termijn, als bedoeld in het eerste lid, onder c, is verstreken indien:
a. vanaf het moment van de interne melding binnen een periode van acht weken niet een standpunt van het bevoegd gezag aan betrokkene die een vermoeden van een misstand heeft vermeld, is uitgereikt, tenzij door het bevoegd gezag aan betrokkene wordt medegedeeld dat hij niet binnen een periode van acht weken een standpunt van het bevoegd gezag kan verwachten;
b. door het bevoegd gezag geen termijn is gesteld, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid;
c. de door het bevoegd gezag gestelde termijn, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid, is verstreken zonder dat een standpunt van het bevoegd gezag aan betrokkene is medegedeeld, of
d. de door het bevoegd gezag gestelde termijn, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid, gelet op alle omstandigheden niet redelijk is.
3. De Commissie brengt gemotiveerd het bevoegd gezag en betrokkene die een vermoeden van een misstand bij de Commissie heeft gemeld, op de hoogte of de melding niet ontvankelijk is.