BWBR0011899
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 2.1
Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand
1. Betrokkene meldt een vermoeden van een misstand intern bij zijn leidinggevende of indien hij melding aan zijn leidinggevende niet wenselijk acht, bij de vertrouwenspersoon.
2. De leidinggevende of de vertrouwenspersoon draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag onverwijld via de gebruikelijke procedure op de hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand en van de datum waarop de melding ontvangen is. Indien betrokkene het vermoeden bij de vertrouwenspersoon heeft gemeld, brengt deze eveneens de leidinggevende van betrokkene op de hoogte.
3. Onverwijld wordt een onderzoek naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand gestart.
4. Door het bevoegd gezag wordt aan betrokkene die een vermoeden van een misstand binnen zijn diensteenheid heeft gemeld, een ontvangstbevestiging gestuurd. In de ontvangstbevestiging wordt melding gemaakt van het gemeld vermoeden van een misstand en het moment, waarop betrokkene het vermoeden aan zijn leidinggevende of de vertrouwenspersoon heeft gemeld.
5. Het bevoegd gezag beoordeelt of de Minister op de hoogte van de interne melding van een vermoeden van een misstand wordt gesteld.
6. In afwijking van de leden 1 tot en met 5 kan betrokkene een vermoeden van een misstand rechtstreeks melden aan de in hoofdstuk 3van deze regeling beschreven Commissie integriteit rijksoverheid indien zwaarwegende belangen toepassing van de leden 1 tot en met 5 in de weg staan.
2. De leidinggevende of de vertrouwenspersoon draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag onverwijld via de gebruikelijke procedure op de hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand en van de datum waarop de melding ontvangen is. Indien betrokkene het vermoeden bij de vertrouwenspersoon heeft gemeld, brengt deze eveneens de leidinggevende van betrokkene op de hoogte.
3. Onverwijld wordt een onderzoek naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand gestart.
4. Door het bevoegd gezag wordt aan betrokkene die een vermoeden van een misstand binnen zijn diensteenheid heeft gemeld, een ontvangstbevestiging gestuurd. In de ontvangstbevestiging wordt melding gemaakt van het gemeld vermoeden van een misstand en het moment, waarop betrokkene het vermoeden aan zijn leidinggevende of de vertrouwenspersoon heeft gemeld.
5. Het bevoegd gezag beoordeelt of de Minister op de hoogte van de interne melding van een vermoeden van een misstand wordt gesteld.
6. In afwijking van de leden 1 tot en met 5 kan betrokkene een vermoeden van een misstand rechtstreeks melden aan de in hoofdstuk 3van deze regeling beschreven Commissie integriteit rijksoverheid indien zwaarwegende belangen toepassing van de leden 1 tot en met 5 in de weg staan.