BWBR0011721
Geldig vanaf 2000-11-01
Artikel 3
Subsidieregeling openbare inland terminals
1. Het subsidieplafond dat per jaar voor het verlenen van subsidies ingevolge deze regeling beschikbaar is, is gelijk aan het bedrag dat in de begroting van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor dat desbetreffende jaar daarvoor op artikel IF 04.03 van het Infrastructuurfonds beschikbaar wordt gesteld, rekening houdend met uitgaven betreffende in eerdere jaren verleende subsidies.
2. De subsidie voor een project bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele onderdelen van het project tot ten hoogste 25% van de totale projectkosten, met dien verstande dat:
a. indien uit anderen hoofde dan deze regeling financiële steun is verleend dan wel aanspraak daarop bestaat, de subsidie op grond van deze regeling zodanig wordt verlaagd dat het totaal van alle verstrekte subsidies voor initiële of uitbreidingsinvesteringen niet meer dan 50% van de totale projectkosten bedraagt;
b. de verleende subsidie per project niet hoger is dan € 2.268.901, en
c. voor de vaststelling van de totale projectkosten alle kosten, die betrekking hebben op de verwezenlijking of de uitbreiding van de terminal waarop het project betrekking heeft, in aanmerking worden genomen.
3. Tot de totale projectkosten, bedoeld in het tweede lid, behoren de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds.
4. Tot de subsidiabele onderdelen van het project, bedoeld in het tweede lid, behoren:
a. materialen;
b. werkzaamheden voor de aanleg van vast en mobiel materieel voor overslag;
c. de krachtens de Wet op de Omzetbelasting 1968 verschuldigde belasting voorzover die niet kan worden teruggevorderd;
d. bouwrente;
e. studies voor het project voor zover de Minister die aanvaardbaar acht;
f. vergunningen en leges voor zover de Minister die aanvaardbaar acht, en
g. kosten van voorbereiding, administratie en toezicht tot een maximum van 16% van de kosten, bedoeld in de onderdelen a en b van dit lid.
5. De bouwrente, bedoeld in het vierde lid, onderdeel e, is gelijk aan de rente van de meest recente openbare staatslening op het moment van gunning van het werk.
6. De kosten van de subsidiabele onderdelen van het project, bedoeld in het vierde lid, worden slechts voorzover zij aantoonbaar betrekking hebben op het project, en voorzover zij in redelijkheid noodzakelijk zijn, in aanmerking genomen.
2. De subsidie voor een project bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele onderdelen van het project tot ten hoogste 25% van de totale projectkosten, met dien verstande dat:
a. indien uit anderen hoofde dan deze regeling financiële steun is verleend dan wel aanspraak daarop bestaat, de subsidie op grond van deze regeling zodanig wordt verlaagd dat het totaal van alle verstrekte subsidies voor initiële of uitbreidingsinvesteringen niet meer dan 50% van de totale projectkosten bedraagt;
b. de verleende subsidie per project niet hoger is dan € 2.268.901, en
c. voor de vaststelling van de totale projectkosten alle kosten, die betrekking hebben op de verwezenlijking of de uitbreiding van de terminal waarop het project betrekking heeft, in aanmerking worden genomen.
3. Tot de totale projectkosten, bedoeld in het tweede lid, behoren de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds.
4. Tot de subsidiabele onderdelen van het project, bedoeld in het tweede lid, behoren:
a. materialen;
b. werkzaamheden voor de aanleg van vast en mobiel materieel voor overslag;
c. de krachtens de Wet op de Omzetbelasting 1968 verschuldigde belasting voorzover die niet kan worden teruggevorderd;
d. bouwrente;
e. studies voor het project voor zover de Minister die aanvaardbaar acht;
f. vergunningen en leges voor zover de Minister die aanvaardbaar acht, en
g. kosten van voorbereiding, administratie en toezicht tot een maximum van 16% van de kosten, bedoeld in de onderdelen a en b van dit lid.
5. De bouwrente, bedoeld in het vierde lid, onderdeel e, is gelijk aan de rente van de meest recente openbare staatslening op het moment van gunning van het werk.
6. De kosten van de subsidiabele onderdelen van het project, bedoeld in het vierde lid, worden slechts voorzover zij aantoonbaar betrekking hebben op het project, en voorzover zij in redelijkheid noodzakelijk zijn, in aanmerking genomen.